JN: AI0123, Gerechtshof Amsterdam , 23-001670-03  
Datum uitspraak: 18-07-2003
Datum publicatie: 18-07-2003
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Moord
 

Uitspraak


arrestnummer
rolnummer […]
datum uitspraak 18 juli 2003
tegenspraak

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 15 april 2003 in de strafzaak onder parketnummer […] van het openbaar ministerie
tegen

[verdachte]
geboren te [..] op […],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres
[….], thans gedetineerd in […]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 9 augustus 2002, 4 november 2002, 29 januari 2003, 27 maart 2003, 31 maart 2003 en 1 april 2003 en in hoger beroep van 1 juli 2003, 3 juli 2003 en 4 juli 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden naar voren is gebracht.


Nader onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte ?

Uit berichten in de media kwam naar voren dat bij een aantal psychologen en psychiaters op grond van hun deskundigheid en ervaring de bezorgdheid was ontstaan dat bij het onderzoek van de verdachte, zoals in deze strafzaak verricht, ten onrechte geen rekening was gehouden met de mogelijke aanwezigheid van een autistische stoornis, zoals bijv. het syndroom van Asperger, bij de verdachte. Naar aanleiding daarvan heeft het hof ter terechtzitting van 3 juli 2003 drie deskundigen gehoord om te beoordelen of nader onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte noodzakelijk is. Deze deskundigen zijn J.M. Oudejans, psycholoog bij het Pieter Baan Centrum, M.D. Oosterhoff, kinder- en jeugdpsychiater en hoofd behandelzaken bij het Academisch Centrum kinder- en jeugdpsychiatrie te Groningen, en mevr. prof. dr. C. de Ruiter, hoogleraar in de forensische psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Oudejans is één van de twee deskundigen die de verdachte in deze strafzaak in het Pieter Baan Centrum hebben onderzocht en daarover hebben gerapporteerd; hij is tevens als getuige gehoord.

Asperger
Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en in het bijzonder gelet op hetgeen de deskundigen ter terechtzitting van 3 juli 2003 naar voren hebben gebracht, ziet het hof onvoldoende houvast om een nader onderzoek te laten doen over de vraag of de verdachte lijdt aan een autistische stoornis, zoals bijv. het syndroom van Asperger. De deskundige Oudejans heeft verklaard dat het onderzoekend team van het Pieter Baan Centrum waarvan hij deel uitmaakte, de mogelijkheid dat de verdachte lijdt aan een dergelijke stoornis in ogenschouw heeft genomen maar al snel heeft geconcludeerd dat de verdachte daaraan niet lijdt en dat deze conclusie zo evident was dat het niet nodig werd geacht dit uitdrukkelijk in het rapport te vermelden. De deskundige heeft verder aan de hand van concrete voorbeelden van het gedrag van de verdachte uiteengezet waarom naar zijn inzicht uitgesloten kan worden dat de verdachte aan een dergelijke stoornis lijdt. Hetgeen bij deze gelegenheid door de deskundigen Oosterhoff en De Ruiter is verklaard, brengt het hof niet tot een andere gevolgtrekking. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat deze laatsten de verdachte niet hebben onderzocht of (vóór 3 juli 2003) gezien, niet hebben gesproken met de deskundigen die hem wél hebben onderzocht en geen kennis hebben genomen van het rapport van die deskundigen, maar zich slechts een beeld van de verdachte hebben gevormd aan de hand van berichten in de media. Buiten twijfel staat daarbij dat zij hebben gehandeld uit oprechte bezorgdheid en niet zonder risico voor hun goede naam.

Andere vragen
Het rapport van het Pieter Baan Centrum roept enkele vragen op die ook na de toelichtingen van de deskundigen ter terechtzitting in eerste aanleg en na die van de deskundige Oudejans ter terechtzitting in hoger beroep nog onvoldoende beantwoord zijn. Deze zullen hierna nog aan de orde komen. Er is echter geen noodzaak tot nader onderzoek dienaangaande.

De mogelijkheid dat de verdachte lijdt aan enige "gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens" (in de zin van de wet) die niet is onderkend door het onderzoekend team van het Pieter Baan Centrum, valt niet geheel uit te sluiten, maar gelet op het intensieve en langdurige onderzoek dat is verricht, is die mogelijkheid toch dermate klein te achten dat ook op dit punt nader onderzoek niet noodzakelijk is.

Gevolgtrekking
Niet in de laatste plaats wordt zwaarwegend geacht dat zowel de verdediging als het openbaar ministerie te kennen hebben gegeven geen behoefte te hebben aan nader onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte. Gelet daarop en gezien het bovenstaande acht het hof zich voldoende voorgelicht omtrent de geestvermogens van de verdachte en in staat om een oordeel te geven over de toerekenbaarheid van de feiten aan de verdachte.


Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 27 maart 2003 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging van de tenlastelegging en nadere omschrijving van de feiten. Van die dagvaarding, de vordering tot wijziging van de tenlastelegging en de vordering tot nadere omschrijving van de feiten is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, verbetert het hof deze. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.


Bewijslevering

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij

1. op 6 mei 2002 te Hilversum opzettelijk en met voorbedachten rade W.S.P. Fortuijn van het leven heeft beroofd, immers heeft de verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool vijf kogels in de rug, de nek en de schedel van die Fortuijn geschoten, waardoor die Fortuijn zodanige verwondingen aan het hart, de linker long, de hals en de hersenen heeft opgelopen, dat hij daaraan is overleden;

2. op 6 mei 2002 te Hilversum H.A.J. Smolders heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft de verdachte tijdens een achtervolging door die Smolders opzettelijk dreigend zich in diens richting omgedraaid en een vuurwapen op hem gericht;

3. hij op 6 mei 2002 te Hilversum een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Star, model Firestar 34, kaliber 9x19 mm, en munitie van categorie III, te weten één patroon, merk MRP, kaliber 9x19 mm,
en
te […] munitie van categorie III, te weten 27 patronen, merk S&B, kaliber 9x19 mm, en 18 patronen, merk MRP, kaliber 9x19 mm, en één patroon, merk PMC, kaliber 9x19 mm, voorhanden heeft gehad;

4. op 24 juni 2002 te […] 35 condooms, elk inhoudende een materiaal bevattende een mengsel op basis van kaliumchloraat en suiker, en hoeveelheden van een materiaal bevattende zwavelzuur, zijnde voorwerpen die in combinatie met elkaar bestemd zijn voor het treffen van personen of zaken door vuur, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.


De bewijsmiddelen

Met betrekking tot feit 1, 2 en 3

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 27 maart 2003 en 31 maart 2003.

Deze verklaring houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik erken dat ik op 6 mei 2002 te Hilversum Fortuijn heb doodgeschoten. Ik erken dat ik op 6 mei 2002 te Hilversum Smolders heb bedreigd met een vuurwapen. Ik erken dat ik op 6 mei 2002 te Hilversum een vuurwapen bij mij had.

Op 5 mei 2002 is bij mij het plan ontstaan om op 6 mei 2002 de aanslag op Fortuijn te plegen. Ik heb op 5 mei 2002 via internet uitgezocht waar Fortuijn op 6 mei 2002 zou zijn en op wat voor tijdstip. Ik had het idee opgevat om op 6 mei 2002 naar het Mediapark te Hilversum te gaan en te kijken of ik daar de gelegenheid kreeg om te doen wat ik van plan was te doen: Fortuijn doodschieten. Ik heb het vuurwapen op 5 mei 2002 's avonds of 6 mei 2002 's morgens uit de koffer op zolder gehaald. Ik heb 7 patronen in het wapen gedaan. Op 6 mei 2002 ben ik naar het Mediapark in Hilversum gereden. Ik heb mijn auto geparkeerd. Ik ben het Mediapark via een fietspad ingelopen. In mijn rechter jaszak zat de plastic zak met het wapen. Ik ben naar een parkje binnen het Mediapark gegaan. Ik heb op een bank gezeten om tot rust te komen. Ik ben naar het 3 FM gebouw gelopen. Ik ben de bosjes ingelopen en ik ben gaan zitten. Even voor zessen ben ik achter een auto gaan liggen. Ik keek onder de auto door en ik zag Fortuijn naar buiten komen. Toen ben ik gaan lopen in de richting van de ingang van het 3 FM gebouw. Ik had het wapen in mijn rechter zak met de plastic zak eromheen. Ik ben om Fortuijn heen en achter hem langs gelopen en ik heb op hem geschoten. Ik heb in eerste instantie op het bovenlichaam van Fortuijn gericht en later op zijn hoofd. Ik zag dat Fortuijn ineen zakte toen ik schoot en ik heb toen nogmaals geschoten. Het doel was om Fortuijn te doden en ik wilde ervan overtuigd zijn dat het zou slagen. Ik heb 5 kogels op Fortuijn afgevuurd. Ik stond op ongeveer 1.50 meter afstand van Fortuijn, maar het kan ook 0.50 meter dichterbij zijn geweest.

Daarna ben ik gaan rennen. Toen ik in de gaten kreeg dat Smolders mij achterna liep, heb ik mij omgedraaid en het wapen op hem gericht. Het was de bedoeling om hem af te schrikken. Ik wilde dat hij zou stoppen met mij achtervolgen.

Het bij mij inbeslaggenomen vuurwapen heb ik een jaar of zeven geleden gekocht. Bij de levering van het vuurwapen waren losse patronen aanwezig. De doosjes patronen die bij mij thuis te […] zijn aangetroffen, heb ik later gekocht.

2. Een proces-verbaal van 31 juli 2002, opgemaakt door mr. H.A. van Eijk, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 31 juli 2002 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van H.A.J. Smolders:

Fortuijn zou op 6 mei 2002 van 16.00 uur tot 18.00 uur een interview afgeven in studio 3 FM (het hof begrijpt: te Hilversum). De uitzending duurde tot een paar minuten voor 18.00 uur. Vervolgens zijn Fortuijn en ik naar buiten gelopen. Toen hoorde ik knallen, volgens mij twee. Ik zag Fortuijn in elkaar zakken. Ik zag op ongeveer 1,5 meter afstand van Fortuijn een man staan met een wapen in zijn hand. Ik hoorde dat die man nog een aantal schoten afvuurde, dit maal drie of vier stuks. De schutter rende hard weg en ik rende achter hem aan. Op de Celebeslaan heeft de schutter zich naar mij omgedraaid. Ik zag dat de schutter met een gestrekte arm in mijn richting wees. Ik zag dat hij in de hand van die gestrekte arm een wapen hield met de loop op mij gericht. U vraagt mij of ik mij op het moment dat de schutter het wapen op mij richtte bedreigd voelde. Ik hield er in elk geval wel rekening mee dat hij kon schieten.

3. Een deskundigenverslag, zijnde een verslag met nummer 02-245/M055/ I033 van het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk van 30 mei 2002, opgemaakt door A. Maes en G. van Ingen, beiden arts en patholoog, doorgenummerde pagina's TR/141-149.

Dit verslag houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 6 mei (hof: 2001; lees:) 2002 hebben wij de uit- en inwendige schouwing verricht op het lijk van W.S.P. Fortuijn, overleden te Hilversum op 6 mei 2002 omstreeks 18.50 uur. Bij de sectie is het navolgende gebleken:

A1. Er waren aan het lichaam acht perforaties passend bij drie doorschotletsels aan de romp en twee tangentiële schoten aan het hoofd.
B1. Inschotopening rechts in de nek met uitschotopening links voor aan de hals met perforatie van de weke delen van de hals, bloeding in de halsspieren, de gemeenschappelijke halsslagader rechts en de rechter schildklierhelft en destructie van het strottenhoofd.
2. Inschotopening links aan de rug met uitschotopening links voor aan de borst. Er was perforatie van de borstkas en de linkerlong.
3. Inschotopening links aan de rug met uitschotopening links voor aan de borst. Er was perforatie van de linkerlong, het hartzakje en schampen van de linkerhartkamer.
4. Tangentiële beschadiging van het schedelbot met naar binnen dringen van botdelen en een kogeldeel tot diep in het hersenweefsel.
5. Tangentiële beschadiging van het schedelbot met naar binnen dringen van botdelen tot in het hersenweefsel.

Conclusie: W.S.P. Fortuijn had meerdere schotverwondingen opgelopen met beschadiging van onder meer borstkas, linkerlong, hart, strottenhoofd, rechter gemeenschappelijke halsslagader, schedel en hersenen. Het oplopen van deze schotverwondingen heeft de dood tot gevolg gehad.

4. Een proces-verbaal met nummer PL1400/02-032013 van Politie Gooi en Vechtstreek/Hilversum van 7 mei 2002, in de wettelijke vorm opge-maakt door de bevoegde opsporingsambtenaren W.L. Snijders en A. van der Land, doorgenummerde pagina's AH/16-18.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisanten (of één van hen):

Als verdacht van een schietincident werd op 6 mei 2002 op heterdaad te Hilversum aangehouden […], geboren op […] te […]. Tijdens de aanhouding droeg de verdachte een vuurwapen dat inbeslaggenomen werd. Dit is een pistool, merk Star, model Firestar 34, kaliber 9x19mm. Het pistool was voorzien van een patroonhouder geschikt voor zeven patronen. Dit pistool is een vuurwapen in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie.

5. Een proces-verbaal met nummer PL1400/02-032013 van Politie Gooi en Vechtstreek/Hilversum van 8 mei 2002, in de wettelijke vorm opge-maakt door de bevoegde opsporingsambtenaar A. van der Land, doorgenummerde pagina AH/101.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

In de kamer van het bij de verdachte […] inbeslaggenomen vuurwapen werd één patroon aangetroffen. Het betrof munitie, merk: MRP, kaliber 9 x 19.

6. Een proces-verbaal met nummer PL1400/02-032013 van Politie Gooi en Vechtstreek/Hilversum van 10 mei 2002, in de wettelijke vorm opge-maakt door de bevoegde opsporingsambtenaar W.L. Snijders, doorgenummerde pagina AH/102.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Bij de doorzoeking in de woning, […] te […], op 6 mei 2002 werd op de zolder van genoemde woning een koffer aangetroffen. In die koffer werden onder andere twee doosjes met munitie aangetroffen. Dit betrof een doosje met 25 kogelpatronen, merk Sellier en Bellot, kaliber 9x19 mm,
en een doosje met:
achttien kogelpatronen, merk MRP, kaliber 9x19 mm,
twee kogelpatronen, merk Sellier & Bellot, kaliber 9x19 mm,
één kogelpatroon, merk PMC, kaliber 9x19 mm.

De op 6 mei 2002 inbeslaggenomen munitie betreft kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm en is munitie in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie.

Met betrekking tot feit 4:

7. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2003.

Deze verklaring houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik thuis te […] de 35 condooms met daarin een mengsel van kaliumchloraat en suiker, en hoeveelheden zwavelzuur, die op 24 juni 2002 in mijn garage zijn aangetroffen, tot 6 mei 2002 voorhanden heb gehad. Die voorwerpen zijn van mij en ik wist destijds dat ze zich daar bevonden. Ik heb de condooms zelf gevuld met die stoffen en dichtgeknoopt. Dat is ongeveer tien jaar geleden geweest. Ik heb in die tijd met vijf soortgelijke condooms met mengsel erin geëxperimenteerd. Ik heb ze in de tuin tot ontbranding gebracht door toevoeging van zwavelzuur. Ik heb gezien dat daarbij een steekvlam per lengte van ongeveer 30 cm ontstaat.

8. Een proces-verbaal met nummer 2002070 van Project OMF van 20 juni 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar M.J. Buch, doorgenummerde pag. 162-164 van zaakdossier.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Op 12 juni 2002 te 11.09/11.03 uur is een telefoongesprek gevoerd tussen [verdachte], vanuit [huis van bewaring], en […]. Dit gesprek is opgenomen en afgeluisterd en passages ervan zijn woordelijk op schrift gesteld, onder meer als volgt (V = de verdachte; P = […]).
V. Ik wilde vragen of de deuren allemaal op slot zitten, ook de garage.
P. Ja, ik ben er net vanmorgen geweest.
V. Maar denk daar effe aan.
P. Ja. Ik heb je sleutels niet van die garage, die hangen weer binnen.
V. Die heb je toch wel.
P. Ten eerste krijg je die niet op slot.
V. Jawel.
P. En ten tweede is het bekend, en wat kunnen ze uit de garage halen? Dat is voor jou misschien interessant, maar ik zal er de volgende keer aan denken. Maar dan moet dat ding inderdaad op slot kunnen.
V. Maar ik zou er ook even aan denken dat mensen geen reservesleutels kunnen vinden.
P. Dat ik de sleutels meeneem?
V. Een inbreker weet heus wel de sleutels te vinden.
P. Nou ja, je hebt daar wel gelijk in. Ik snap de boodschap. Ik zal eh, maar dat duurt effetjes.

9. Een proces-verbaal met nummer 2002070 van Project OMF (het hof begrijpt: Onderzoek Moord Fortuijn) van 27 juni 2002, in de wettelijke vorm opge-maakt door de bevoegde opsporingsambtenaar A.G. van Leeuwen, doorgenummerde pagina AH/369-370 (voorts doorgenummerde pagina's 23-24 van zaaksdossier).

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Op 24 juni 2002 is de woning van de verdachte […], […], onderzocht. In de garage is door mij een afgesloten kunststof container aangetroffen, met daarin:
· glazen fles met inhoud voorzien van label zwavelzuur 94-96 % ,
· twee glazen flessen met inhoud voorzien van label zwavelzuur 50 %,
· glazen pot van Calvé pindakaas met daarin condooms gevuld met witte substantie.

10. Een deskundigenverslag, zijnde een rapport met nummer 02.06.03.055 van het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk van 4 februari 2003, opgemaakt door ing. E.M. Kok.

Dit rapport houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Onderzoeksmateriaal:
· H01 kartonnen doos met fles zwavelzuur 94/96 %
· H02 glazen fles zwavelzuur 50 %
· H03 glazen fles zwavelzuur 50 %
· H05 Pindakaaspot inhoudende condooms gevuld met witte substantie (ontvlambaar)

Onderzoek:
Monsters uit de drie flessen zijn onderzocht.
In de pindakaaspot H05 bevonden zich 35 dichtgeknoopte condooms, waarin
zich een laagje van 1 à 1 ½ centimeter wit kristallijn materiaal bevond. De inhoud van één condoom werd nader onderzocht, waarbij hoofdzakelijk suiker en kaliumchloraat werden aangetoond.
Een deel van het materiaal werd op brandgedrag getest met behulp van een gloeiende naald (hete naald test). Bij aanraking met de gloeiende naald
ontbrandde het materiaal direct en brandde het snel op met een witte vlam. Dit brandgedrag past bij een pyrotechnisch mengsel op basis van kaliumchloraat en suiker.

Proefnemingen:
Bij twee van de drie gedane proefnemingen, telkens met één van de condooms en zwavelzuur, trad na respectievelijk ruim 31 en ruim vijftien minuten een spontane ontbranding op.

Conclusies en samenvatting
De flessen H01, H02 en H03 bevatten vrijwel zeker (geconcentreerd) zwavelzuur.
De condooms in de pindakaaspot (H05) bevatten vrijwel zeker een explosief brandbaar mengsel op basis van kaliumchloraat en suiker.
De enige bekende toepassing van mengsels op basis van kaliumchloraat en suiker is die van (geïmproviseerd) pyrotechnisch materiaal.
Het toevoegen van zwavelzuur aan een mengsel van kaliumchloraat en suiker leidt tot warmteontwikkeling waardoor er kans bestaat op een (explosieve) ontbranding.
Proefondervindelijk is vastgesteld dat het kaliumchloraat-suiker mengsel in de condooms (H05) na enige tijd tot ontbranding kan komen door het contact met zwavelzuur (H01). Deze ontbranding is van dusdanige aard, dat hierdoor een vloeibare koolwaterstof, zoals benzine, kan worden ontstoken.

11. Een proces-verbaal van 13 februari 2003, opgemaakt door mr. H.A. van Eijk, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 februari 2003 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van E.M. Kok, getuige en deskundige:

De condooms met inhoud (H05) hebben mij wel bevreemd. In mijn ervaring wordt deze inhoud uitsluitend toegepast als pyrotechnisch mengsel, gericht op een explosieve ontbranding. Met dat laatste wordt een snelle (hof: verbranding; lees:) ontbranding bedoeld. Gelet op de inhoud van één condoom lijkt het hoofddoel van gebruik daarvan te zijn gericht op ontbranding. Ik heb in naslagwerken geen andere toepassing van het in de onderzochte condoom aangetroffen mengsel gevonden dan de toepassing waarover ik het zojuist had.

Nadere overweging betrekking tot alle feiten:

De voormelde bewijsmiddelen zijn - ook in hun onderdelen - telkens gebezigd tot het bewijs van de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift betreft als bedoeld in artikel 344 lid 1, aanhef en onder 5o, Wetboek van Strafvordering, slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.


Nadere bewijsoverweging met betrekking tot feit 4


Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 4. Daartoe is het volgende, voor zover nog van belang, aangevoerd.
1) De verdachte was op de in de tenlastelegging genoemde datum, 24 juni 2002, gedetineerd in [huis van bewaring] en kon daarom toen niet te [woonplaats] enig wapen, zoals omschreven in de tenlastelegging, voorhanden hebben.
2) De voorwerpen, zoals omschreven in de tenlastelegging, kunnen niet worden aangemerkt als wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, omdat zij niet voorkomen in de Richtlijn voor strafvordering inzake die wet van het openbaar ministerie.
3) De op 24 juni 2002 te [woonplaats] aangetroffen voorwerpen waren nimmer bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Eerste verweer
Dat de verdachte op 24 juni 2002 vanwege zijn detentie in [huis van bewaring] zich niet in [woonplaats] kon bevinden, is niet van belang. Van belang is of hij toen over het wapen kon beschikken. Op 24 juni 2002 is in de garage van de verdachte te [woonplaats] een doorzoeking verricht waarbij de in de tenlastelegging omschreven voorwerpen zijn aangetroffen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat die voorwerpen van hem zijn en dat hij destijds wist dat ze zich daar bevonden. Uit een tussen de verdachte en zijn partner op 12 juni 2002 gevoerd telefoongesprek blijkt dat de verdachte de mogelijkheid had, en ook van die mogelijkheid gebruik maakte, om via telefonisch contact met zijn partner sturend op te treden ten aanzien van de nadien bij de doorzoeking in de garage aangetroffen goederen. Daaruit volgt dat de verdachte over die goederen kon beschikken, ook al ontbrak hem de feitelijke mogelijkheid zich naar de garage te begeven. Op 24 juni 2002 was dat niet anders geworden. Dat de verdachte een ander nodig had om zijn beschikkingsmacht feitelijk uit te oefenen, neemt niet weg dat hij zelf als (enig) pleger kan worden aangemerkt.

Dit verweer wordt verworpen.

Tweede verweer
Terecht erkennen de raadslieden in hoger beroep dat de bedoelde richtlijn niet dwingend een wettelijke term - zoals in dit geval de term "voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van een ontploffing"- kan invullen. Het is dus niet nodig de - juiste - desbetreffende overweging van de rechtbank te herhalen.

Het betoog in hoger beroep houdt in dat slechts zes voorwerpen onder die wettelijke term mogen worden gebracht: bom, handgranaat, landmijn, molotov-cocktail, mijn en vlammenwerper. Daarvoor meent de verdediging steun te vinden in de bedoelde richtlijn, die inderdaad alleen deze zes uitdrukkelijk noemt, zoals ook de wetsgeschiedenis, jurisprudentie en doctrine volgens de verdediging geen andere voorbeelden zouden noemen. Die steun is echter niet toereikend, nu nergens met zoveel woorden, of ten minste impliciet, uit de wetsgeschiedenis naar voren komt dat alleen deze zes onder de wettelijke term mogen worden gebracht en andere voorwerpen die zonder taalkundig bezwaar onder die wettelijke term kunnen worden gebracht, niet. Ook is het niet juist dat de doctrine geen andere voorbeelden dan de zes zou noemen, want men vindt daarin ook explosieven en dynamiet vermeld. Bovendien volgt uit de tekst van de wet zelf onontkoombaar dat ook andere dan de zes voorwerpen onder de wettelijke term zijn begrepen, namelijk explosieven voor civiel gebruik (voor zover geen in de wet genoemde erkenning met betrekking tot die explosieven is verleend). De bepleite beperkte uitleg van de wettelijke term moet dus worden afgewezen.

Dit verweer wordt verworpen.

Derde verweer
De in de garage aangetroffen voorwerpen zijn onderzocht door ing. E.M. Kok, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut. De deskundige heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 4 februari 2003. Naar aanleiding daarvan heeft de deskundige op 13 februari 2003 een aanvullende verklaring afgelegd. Uit het rapport blijkt dat de condooms vrijwel zeker een explosief brandbaar mengsel op basis van kaliumchloraat en suiker bevatten, waarvan de enige bekende toepassing die van (geïmproviseerd) pyrotechnisch materiaal is. De aanvullende verklaring houdt voorts in: 'In mijn ervaring wordt deze inhoud (hof: van de condooms) uitsluitend toegepast als pyrotechnisch mengsel, gericht op een explosieve ontbranding. Met dat laatste wordt een snelle (hof: verbranding; lees:) ontbranding bedoeld. Gelet op de inhoud van één condoom lijkt het hoofddoel van gebruik daarvan te zijn gericht op ontbranding'. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zelf heeft gezien dat bij toevoeging van zwavelzuur aan soortgelijke condooms met mengsel een steekvlam ter lengte van ongeveer 30 cm ontstaat.

Strafbaar gesteld is het voorhanden hebben van voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur. Uit de bewijsmiddelen, waaronder met name ook de evengenoemde, leidt het hof af dat de in de tenlastelegging (zoals bewezen geacht) genoemde voorwerpen naar hun aard bestemd zijn voor het treffen van personen of zaken door vuur.

Het standpunt van de verdachte dat hij deze voorwerpen slechts voorhanden heeft gehad omdat hij geïnteresseerd was in scheikundige proefjes en omdat hij ze als vuurwerk wilde gebruiken, is niet aannemelijk, gelet op het grote aantal van de met mengsel gevulde condooms.

Ook dit verweer wordt verworpen.


Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de straf-baarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit straf-baar is.

Het bewezengeachte levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezengeachte

moord;

ten aanzien van het onder 2 bewezengeachte

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van het onder 3 bewezengeachte

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 4 bewezengeachte

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.


Strafbaarheid van de verdachte

De psychiater A.A.R de Kom en de psycholoog J.M. Oudejans, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht, hebben in samenwerking met anderen die met hen een onderzoeksteam vormden, de verdachte onderzocht en daarvan hun rapport van 20 maart 2003 opgemaakt. Zij zijn tot de conclusie gekomen dat de verdachte ten tijde van het plegen van de eerste drie tenlastegelegde feiten (indien bewezen) weliswaar leed aan een gebrekkige ontwikkeling (hof: of ziekelijke stoornis) van zijn geestvermogens, maar dat die feiten hem volledig kunnen worden toegerekend. Deze conclusie berust op de volgende bevindingen van de deskundigen.

De verdachte is een intellectueel hoogbegaafde, lichamelijk gezonde man bij wie een obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis aanwezig is (classificatie volgens DSM-IV-TR: 301.4). Deze persoonlijkheidsstoornis is echter niet van aanwijsbare invloed geweest ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Verdachtes voornemen tot doding van het slachtoffer werd ingegeven door zijn verwachting dat het slachtoffer een groot gevaar zou vormen voor de zwakkeren. Deze verwachting kan niet uit verdachtes persoonlijkheidsstoornis worden verklaard. Voorzover de verdachte zich door het slachtoffer verontrust voelde, is die vrees niet als een pathologisch motief aan te merken. De verdachte heeft zonder aanwijsbaar ziekelijke beperking geprobeerd het slachtoffer gewapend te benaderen met de bedoeling hem te doden. De verdachte heeft zijn vuurwapen niet uit andere dan reële motieven voorhanden gehad. De verdachte heeft kort voor het doodschieten van het slachtoffer besloten dat daartoe de gelegenheid bestond en vervolgens zonder aanwijsbaar pathologische beïnvloeding het slachtoffer beschoten. Ook in de wijze van uitvoeren van deze gewapende en dodelijke overrompeling is geen invloed van een stoornis aanwijsbaar, zoals tevens geldt voor het met dat wapen bedreigen van een achtervolger. Voorzover er sprake is geweest van een overschatting van de macht en invloed van het slachtoffer, kan deze vertekening niet verklaard worden vanuit eventuele pathologische motieven. Ook de afwezigheid van morele twijfel is in dit geval niet pathologisch bepaald en dient gezien te worden tegen de achtergrond van een al veel langer bestaande bereidheid om de uiterste consequentie te trekken uit zijn politieke overtuigingen en principes.

Op de hun gestelde vraag naar de kans op recidive en naar (kort gezegd) behandelingsmogelijkheden hebben de deskundigen als volgt geantwoord. Aangezien er geen verband bestaat tussen genoemde persoonlijkheidsstoornis die bij de verdachte kon worden vastgesteld en het tenlastegelegde, kan het onderzoekend team geen uitspraak doen over de kans op herhaling van delicten zoals die zijn tenlastegelegd. Om deze reden ziet het team geen aanleiding tot het uitbrengen van een advies tot begeleiding of behandeling van de verdachte in een strafrechtelijk kader.

Zoals hierboven overwogen roept het rapport van de deskundigen enkele vragen op die nog onvoldoende beantwoord zijn. In het bijzonder betreft dat de bevinding van de deskundigen dat er geen verband is tussen de bij de verdachte aanwezige obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis en het eerste tenlastegelegde feit. Er is geen bevredigend antwoord gevonden op de vraag hoe te verklaren is dat de verdachte "zijn dwangmatige kant" opzij kon zetten tijdens de aanloop naar de moord op dr. Fortuijn. Het hof meent het rapport evenwel aldus te mogen begrijpen dat naar het gevoelen van de deskundigen de verdachte het eerste tenlastegelegde feit geheel vanuit een bepaalde politieke overtuiging heeft begaan en dat, voor zover er toch verband is tussen de stoornis en dit feit, dat verband in elk geval niet van dien aard is dat het in de weg staat aan volledige toerekening van dit feit aan de verdachte.

Het hof verenigt zich in zoverre met de conclusie van de deskundigen dat het als voldoende vaststaand aanneemt dat de verdachte weliswaar lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens (hierna: stoornis), maar dat er geen grond is voor het oordeel dat de begane feiten hem daarom geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden toegerekend. In het midden kan blijven in hoeverre de stoornis waaraan de verdachte lijdt, toch heeft bijgedragen tot het plegen van het eerste feit. Het hof sluit niet uit dat zulk verband tussen de stoornis en dat feit bestaat, maar sluit wél uit dat het eventuele verband van dien aard is dat het in de weg zou staan aan volledige toerekening van dat feit aan de verdachte.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaar-heid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.


Strafverlagingsverweren, al dan niet ontleend aan artikel 359a Sv

De raadslieden hebben in hoger beroep opnieuw betoogd dat er aanleiding is voor strafvermindering op de voet van het bepaalde in artikel 359a, lid 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het hof heeft daarom onderzocht of blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek in deze strafzaak vormen zijn verzuimd waarvan geen herstel meer mogelijk is en of aannemelijk is dat door zo'n verzuim - gesteld dat het is begaan - nadeel is veroorzaakt, en zo nodig of de ernst van het verzuim, het belang dat het geschonden voorschrift dient, en de omvang van het nadeel kunnen worden vastgesteld. Bovendien hebben de raadslieden, voor het eerst uitdrukkelijk in hoger beroep, op de feiten waarop hun evengenoemd verweer berust, tevens verweer gebaseerd dat los van artikel 359a Sv strekt tot strafvermindering. Daarom heeft het hof die feiten ook onder dit laatste gezichtspunt onderzocht.

Beperkingen
Tegen de verdachte zijn op 8 mei 2002 maatregelen in het belang van het onderzoek bevolen, met name beperkingen (als bedoeld in artikel 62 Sv) die meebrachten dat hij tot 1 juli 2002 geen telefonisch en schriftelijk contact met zijn naasten mocht hebben, geen bezoek van hen mocht ontvangen en geen kennis mocht nemen van kranten en radio- en televisie-uitzendingen.

Het daartegen gerichte bezwaarschrift van de verdachte is door de raadkamer van de rechtbank ongegrond verklaard. Een vormverzuim is in de desbetreffende beschikking van de rechtbank van 23 mei 2002 niet geconstateerd en anders dan door de raadslieden betoogd is daarbij ook niet geoordeeld dat de beperkingen niet volstrekt noodzakelijk waren. Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting is evenmin gebleken van enig vormverzuim in dit verband.

Cameratoezicht
De verdachte is gedurende lange tijd onderworpen geweest aan permanent cameratoezicht in zijn cel. De voorzitter van de beroepscommissie heeft op 28 mei 2002 de aanvankelijke beslissing tot zulk toezicht in Huis van Bewaring Het Veer geschorst. Het beklag tegen een nieuwe beslissing tot zulk toezicht van 29 mei 2002 is op 10 juni 2002 gegrond verklaard door de beklagcommissie, maar dat leidde niet tot vermindering van het toezicht omdat de verdachte inmiddels naar een ander huis van bewaring, […], was overgeplaatst. De beslissing tot verlenging van zulk toezicht in […] van 28 juni 2002 is op 4 juli 2002 geschorst, maar ook dit leidde niet tot vermindering omdat het toezicht per 5 juli 2002 werd gebaseerd op met ingang van die datum ingevoerde nieuwe bepalingen in de (ministeriële) Regeling krachtens artikel 16 lid 5 van de Penitentiaire beginselenwet. Bij beslissingen van 30 juli 2002 heeft de beroepscommissie geoordeeld dat twee beklagen tegen beslissingen inzake cameratoezicht in Het Veer en […] ten aanzien van de periode tot 5 juli 2002 gegrond waren, bij beslissing van 12 september 2002 dat een beklag tegen een dergelijke beslissing ten aanzien van de periode vanaf 5 juli 2002 ongegrond was. In het najaar van 2002 is het cameratoezicht verminderd.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat er een toereikende feitelijke grondslag bestaat voor de bewering van de raadslieden dat de beslissingen van de penitentiaire rechter omtrent het cameratoezicht stelselmatig zijn ontdoken. Er is geen aanleiding gevonden om het handelen van de betrokken justitiële autoriteiten, ook voor zover dat neerkwam op het wijzigen van de koers, niet te beoordelen als regelmatig en rechtmatig. Van enig vormverzuim gelegen in dat handelen blijkt dus niet. Dat beslissingen tot cameratoezicht ten aanzien van de periode tot 5 juli 2002 zijn geschorst en dat het beklag tegen beslissingen ten aanzien van die periode gegrond is bevonden, brengt niet mee dat ter zake van die beslissingen enig vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv is begaan.

Individueel regime
Anders dan in de eerste aanleg wordt in hoger beroep in dit verband ook aandacht gevraagd voor het individuele regime waaraan de verdachte tijdens zijn detentie - afgezien van een groot deel van de onderzoeksperiode in het Pieter Baan Centrum - is onderworpen. Dit regime houdt, aldus de raadslieden, in dat de verdachte, anders dan onder regimes van algehele en beperkte gemeenschap, in de praktijk geen enkel contact met medegedetineerden heeft en 22 uur per etmaal in zijn cel verblijft.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat zich in dit verband enig vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek heeft voorgedaan. Dat dit wél het geval zou zijn is overigens ook niet betoogd.

Detentieomstandigheden in onderlinge samenhang
In hoger beroep is betoogd dat de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis van de verdachte "tot dusverre" in strijd is met bepalingen van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Met name is volgens de raadslieden de combinatie van langdurig cameratoezicht en voortdurende isolatie aan te merken als een onmenselijke of vernederende behandeling. Dit cameratoezicht maakte volgens hen bovendien een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die niet noodzakelijk was en waarvoor (naar het hof begrijpt: tot 5 juli 2002) geen afdoende wettelijke basis bestond. Een en ander levert strijd op met artikel 3 en artikel 8 EVRM, aldus de raadslieden.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat de door de raadslieden met name genoemde strijdigheid met respectievelijk artikel 3 en artikel 8 EVRM bestaat of bestond. Het betoog is ook niet nader toegelicht. Het is zonder nader onderzoek niet evident dat de langdurige onderwerping van de verdachte in deze strafzaak aan een combinatie van cameratoezicht en individueel regime een onmenselijke of vernederende behandeling vormt. Zonder nader onderzoek is het evenmin evident dat het cameratoezicht een niet-noodzakelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte maakte en, gelet op het feit dat ook vóór 5 juli 2002 al de (krachtens het bepaalde in artikel 24, lid 7, Penitentiaire beginselenwet) door de Minister van Justitie gestelde Regeling straf- en afzonderingscel penitentiaire inrichtingen van 15 juni 1999 voorzag in cameratoezicht, dat er tot 5 juli 2002 geen afdoende wettelijke basis voor cameratoezicht bestond. Het hof ziet ambtshalve onvoldoende aanleiding tot nader onderzoek in dezen. Ook overigens blijkt niet van tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis in strijd met bepalingen van het EVRM of van om andere redenen onrechtmatige tenuitvoerlegging van die hechtenis, en dus ook niet van enig vormverzuim uit dien hoofde bij het voorbereidend onderzoek.

De detentieomstandigheden moeten intussen wél als extreem zwaar voor de verdachte worden aangemerkt. Zij zijn van meet af aan van dien aard geweest en zij zijn dat goeddeels nog steeds. Met name zijn het gedurende ongeveer een half jaar voortgezette permanente cameratoezicht en het - afgezien van een groot deel van de onderzoeksperiode in het Pieter Baan Centrum - steeds gehanteerde individuele regime uiterst bezwarend. Dat die maatregelen noodzakelijk en gerechtvaardigd waren, maakt ze niet minder bezwarend. Er is aanleiding om deze detentieomstandigheden mee te wegen bij de strafoplegging.

Uitlatingen van politici
De raadslieden hebben betoogd dat een aantal Nederlandse politici zich op zodanige wijze publiekelijk heeft uitgelaten over deze strafzaak en de verdachte, dat allereerst de regel van artikel 6 lid 2 EVRM - dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan -, zoals die regel is uitgelegd door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, is geschonden. Ten tweede is naar het betoog van de raadslieden daardoor ook de elementaire staatsrechtelijke notie miskend dat politici zich niet moeten bemoeien met individuele strafzaken en proberen het beslissingsproces van de rechter te beïnvloeden, hetgeen een schending oplevert van de regel van artikel 6 lid 1 EVRM (voor zover thans van belang) dat een ieder recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting is het volgende komen vast te staan.

Politici hebben zich na 6 mei 2002 uitgelaten over de schuld van de verdachte, de op te leggen straf, het feit dat de verdachte gebruik maakte van het recht om te zwijgen en in hongerstaking was gegaan en de samenstelling van de rechtbank.

In de eerste dagen na 6 mei 2002 heeft M. Herben, toen nog kandidaat-kamerlid en woordvoerder van de LPF, op daartoe strekkende vragen van journalisten gezegd of bevestigd: dat de verdachte deel uitmaakt van een zeer gevaarlijk groepje van vijf personen dat al eerder een moord heeft gepleegd. Op 12 mei 2002 heeft F. Teeven, toen nog kandidaat-kamerlid, lijsttrekker van Leefbaar Nederland en bezoldigd officier van justitie met buitengewoon verlof (die zich niet meer bezighield met werkzaamheden binnen het parket), in het TV-programma Buitenhof gezegd: dat de verdachte een voorverkenning in het mediapark te Hilversum moet hebben verricht; dat hij tevoren moet hebben geoefend met schieten; en dat hij niet alleen kan hebben gehandeld. In het TV-programma Pauw in Panama, opgenomen op 18 en uitgezonden op 26 juni 2002, heeft J.L. Janssen van Raaij, kamerlid, gezegd: dat het natuurlijk gaat om een huurmoordenaar en dat de opdracht bijv. kan komen van Al Qaeda of milieuactivisten; en dat de verdachte zich gedraagt als iemand die weet dat hij binnen een jaar nadat hij levenslang heeft gekregen, wordt bevrijd uit welke gevangenis dan ook.

In een interview, gepubliceerd in Nieuwe Revu van 20 november 2002, heeft de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, H. Nawijn, na eerst de vraag of de doodstraf in Nederland moet worden ingevoerd, met "ja" te hebben beantwoord indien het personen betreft die zonder enige reden een moord hebben gepleegd, op de vraag of de verdachte onder die personen valt, gezegd: "Uiteindelijk is dat natuurlijk aan de rechter, maar in mijn optiek wél, ja". Op 16 april 2003, daags na de uitspraak in deze zaak in eerste aanleg, is de Minister van Binnenlandse Zaken, J. Remkes, in het Algemeen Dagblad als volgt geciteerd, onder de kop "Remkes: 18 jaar is te weinig": dat hij zich enigszins heeft verbaasd over het vonnis en dat dit een understatement is, en verder dat het vonnis tegen de verdachte voor hem een reden is om geïnspireerd door te gaan met de discussie over strafverzwaring.

Twee leden van de Tweede Kamer hebben zich omstreeks augustus 2002 in negatieve zin uitgelaten over het gebruikmaken van de verdachte van het zwijgrecht. Verscheidene politici hebben tijdens de hongerstaking van de verdachte in het najaar van 2002 bepleit dat dwangvoeding zou worden toegepast met opzijzetten in dit geval van het recht op zelfbeschikking.

Twee parlementariërs, onder wie F. Hoogendijk, hebben omstreeks 2 augustus 2002 de onpartijdigheid van één van de leden van de rechtbank in twijfel getrokken.

Daaromtrent oordeelt het hof als volgt.

Niet uitgesloten is dat uitlatingen van publieke autoriteiten als de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie en de Minister van Binnenlandse Zaken, en zelfs die van publieke autoriteiten als (kandidaat-) kamerleden, een ongeoorloofde inbreuk kunnen opleveren op het vermoeden van onschuld, dat ten gunste van iedere verdachte in artikel 6 lid 2 EVRM is neergelegd. Hetzelfde geldt voor het recht op een eerlijke behandeling van de strafzaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, dat in artikel 6 lid 1 EVRM is omschreven. De onderhavige uitlatingen van politici hebben echter geen zodanige inbreuk gemaakt.

De mededeling van Minister Remkes, voor zover deze de strekking had dat de door de rechtbank opgelegde straf te laag was en dat die strafoplegging de minister heeft verbaasd, was ongepast en riskant, omdat ze de indruk wekte van ministeriële onwetendheid of onverschilligheid aangaande de in het Nederlandse staatsrecht vastgelegde verhouding tussen de rechtspraak en de leden van de regering. De uitlatingen van de parlementariërs (Hoogendijk en een ander) waarmee de onpartijdigheid van één van de leden van de rechtbank in twijfel is getrokken, waren ongelukkig, omdat ze bij een deel van het publiek kunnen hebben afgedaan aan het vertrouwen in de onpartijdigheid van de rechterlijke macht. De uitlatingen van Minister Nawijn en de overige (kandidaat-) kamerleden waren niet verstandig, omdat ze zich begaven in de richting van de gevarenzone voor uitlatingen van dergelijke publieke autoriteiten inzake een individuele strafzaak.

Geen van deze uitlatingen was evenwel geschikt om het publiek aan te moedigen om de verdachte schuldig te achten, of om de rechter die in deze strafzaak in eerste en tweede aanleg moest/moet oordelen, ten nadele van de verdachte te beïnvloeden bij het vaststellen van de feiten en de geboden straf. Daarbij zijn de volgende omstandigheden van belang. De uitlatingen waren telkens eenmalig. Degenen die de uitlatingen deden, waren niet betrokken bij de vervolging en berechting van de verdachte. Niet kan worden gezegd dat het gezag van de (kandidaat-) kamerleden destijds zo groot was dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het publiek heeft gemeend dat zij wél bij vervolging en berechting betrokken waren. Van de uitlatingen van de ministers kan dit laatste mogelijk wél worden gezegd, maar hun uitlatingen kunnen worden opgevat als blijk van gevoelens dat, indien eenmaal de rechter de verdachte schuldig zou bevinden/ heeft bevonden aan de tenlastegelegde moord, daarbij een zwaardere straf dan 18 jaren gevangenisstraf past, zodat niet wordt getreden in de vraag of de verdachte schuldig is en het publiek ook niet wordt aangemoedigd om de verdachte schuldig te achten. Daar komt bij dat deze ministeriële uitlatingen, althans hun publicatie, dateren van na 19 november 2002, de dag waarop de verdachte schuld aan de moord heeft bekend. Bovendien kent het Nederlandse strafproces geen jury, maar wordt over feiten en straf uitsluitend door professionele rechters geoordeeld, waardoor de kans op beïnvloeding door uitlatingen van publieke autoriteiten als de onderhavige gering mag worden geacht.

De gewraakte uitlatingen van politici schonden dus niet de genoemde bepalingen van artikel 6 EVRM. Er is ook geen aanleiding om ze om andere redenen als onrechtmatig aan te merken. Dat brengt tevens mee dat in het midden kan blijven of dergelijke uitlatingen mogen worden beschouwd als gedaan "bij het voorbereidend onderzoek" als bedoeld in artikel 359a Sv; in elk geval kan er geen sprake zijn van vormverzuim in de zin van die bepaling. Redelijkerwijs kunnen deze uitlatingen de verdachte ook niet noemenswaardig hebben bezwaard. Ze behoeven dan ook niet mee te wegen bij de strafoplegging.

Publiciteit als extra straf
De overvloedige publiciteit die deze strafzaak en de verdachte in de media hebben gekregen, is naar de mening van de raadslieden in het algemeen aanvaardbaar, omdat het hier om een opzienbarende en uitzonderlijke strafzaak gaat. Dat geldt volgens hen echter niet voor vormen van publiciteit die in redelijkheid niet voorzienbaar waren, waardoor grote persoonlijke schade aan de verdachte en zijn naaste omgeving is toegebracht. Genoemd worden in dit verband: publicatie van foto's waarop de verdachte duidelijk herkenbaar is; publicatie van persoonlijke gegevens van de verdachte, zijn partner en hun kind die niets met de strafzaak van doen hebben; huiveringwekkende uitlatingen over de verdachte op websites; onware berichtgeving zoals het in verband brengen van de verdachte met de onopgeloste moord op een milieuambtenaar; publicaties waarin psychologen en psychiaters zonder onderzoek van de verdachte hem het syndroom van Asperger toedichten en onjuiste gevolgtrekkingen over de levensloop van de verdachte baseren op berichten in de media.

Hetgeen de raadslieden onder dit kopje hebben aangevoerd, is kennelijk niet bedoeld als grond voor het betoog dat zich enig vormverzuim heeft voorgedaan bij het voorbereidend onderzoek. Het zou daarvoor ook niet geschikt zijn.

Het hof deelt de mening van de verdediging dat de publiciteit rondom deze strafzaak en de verdachte op enkele punten niet aanvaardbaar is geweest en de verdachte schade heeft toegebracht. Dat geldt echter niet voor de publicaties waarin de verdachte in verband is gebracht met het syndroom van Asperger, omdat niet valt in te zien dat de verdachte redelijkerwijs daardoor kan zijn bezwaard. Ook de publicaties van foto's van de verdachte en van persoonlijke gegevens van hemzelf en zijn naasten die niets met de strafzaak te maken hebben, zijn zonder meer niet als onaanvaardbaar aan te merken en er zijn geen omstandigheden gebleken die dit anders zouden doen zijn. Huiveringwekkende uitlatingen over de verdachte op websites zullen uit hun aard slechts onder bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen geven tot strafvermindering; van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. Publicaties evenwel in de media van onbewezen aantijgingen en onjuistheden over verdachtes levensloop zoals voornoemd zijn in dit kader onaanvaardbaar en aannemelijk is dat de verdachte erdoor is geschaad. Inzoverre kan deze publiciteit meewegen bij de strafoplegging.

Ministeriële interventie
De raadslieden zien een vormverzuim in het handelen van de Minister van Justitie in de aanvang van het verblijf van de verdachte in het Pieter Baan Centrum, welk handelen zij omschrijven als het vasthouden aan het individuele regime en het cameratoezicht, hoewel de minister erop was gewezen dat dit strijdig was met de opvattingen over goed klinisch onderzoek zoals de directeur van het Pieter Baan Centrum die huldigde.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat het door de verdediging gewraakte optreden van de Minister van Justitie op enigerlei wijze van nadelige invloed is geweest op de kwaliteit van het in het Pieter Baan Centrum gedane onderzoek van de verdachte en van het daarover uitgebrachte rapport. De raadslieden erkennen ook dat geen voor hen waarneembaar nadeel is veroorzaakt. Als er echter geen nadeel is, kan geen strafverlagingsgrond aan artikel 359a Sv worden ontleend. Anders dan de raadslieden menen, blijft dat hetzelfde als het handelen van de minister zou moeten worden aangemerkt als fundamentele inbreuk op de wettelijk voorziene verdeling van bevoegdheden en verplichtingen tussen openbaar ministerie en rechter. Een onderzoek of de minister inbreuk heeft gemaakt op de bedoelde wettelijk voorziene verdeling en, zo ja, of het daarbij gaat om een fundamentele inbreuk, - het één noch het ander is zonder nader onderzoek evident - kan daarom achterwege blijven. Het handelen van de minister geeft ook overigens geen aanleiding om het mee te laten wegen bij de strafoplegging.

Gevolgtrekking
Het voorgaande leidt ertoe dat ook in hoger beroep het verweer ter zake van artikel 359a Sv in al zijn onderdelen wordt verworpen. Het strafverlagingsverweer voor zover niet ontleend aan artikel 359a Sv is blijkens het voorgaande in zoverre gegrond dat de detentieomstandigheden en bepaalde punten van de publiciteit rondom deze strafzaak en de verdachte ten voordele van de verdachte kunnen meewegen bij de vaststelling van de op te leggen straf. Voor het overige wordt dit verweer verworpen.


Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren met aftrek van voorarrest en bijkomende beslissingen genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen.

Tegen het vonnis van de rechtbank is namens de verdachte en door de officier van justitie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf en dat bijkomende beslissingen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen zullen worden genomen.

De raadslieden hebben bepleit dat een lagere gevangenisstraf zal worden opgelegd dan in eerste aanleg.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Gevangenisstraf
De rechtbank heeft op heldere en gewetensvolle wijze uitdrukkelijk aandacht gegeven aan aspecten van de doeleinden van de door haar bepaalde gevangenisstraf. Publicisten die niet hebben geschroomd zich daarover reeds vóór de uitspraak in hoger beroep uit te laten, hebben daaraan soms een bizarre, evident onjuiste uitleg gegeven. De strafrechter is in het algemeen niet verplicht in zijn motivering expliciet de rechtens te aanvaarden doeleinden van de straf te betrekken, al staat hem dit zeker vrij. Die verplichting bestaat in het geval van deze zaak evenmin. Het hof ziet geen aanleiding nader te overwegen over de doeleinden van de op te leggen straf.

Zoals onder de rubriek 'Strafbaarheid van de verdachte" al is overwogen, kunnen de feiten volledig aan de verdachte worden toegerekend, hoewel niet wordt uitgesloten dat er enig verband is tussen de "gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis" waaraan de verdachte lijdt, en het eerste feit. Voor een last tot terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging of het stellen van voorwaarden bestaat onvoldoende aanleiding.

Ten laste van de verdachte zijn vier feiten bewezen geacht. Daarvan is het eerste feit, de moord op dr. Fortuijn, het voornaamste. De moord die de verdachte heeft begaan en die hem volledig kan worden toegerekend, geeft alleen al de reden die leidt tot de keuze van gevangenisstraf. Vervolgens komen aan de orde de vraag welke gevangenisstraf moet worden opgelegd en op welke omstandigheden bij de vaststelling daarvan wordt gelet.

Moord is een onherstelbaar misdrijf, dat in de eerste plaats onpeilbaar leed toebrengt aan de familieleden en vrienden van het slachtoffer. De manier waarop de verdachte deze moord heeft uitgevoerd heeft kenmerken van een liquidatie zoals die in het criminele circuit pleegt plaats te vinden. De verdachte heeft, kort gezegd, enkele weken met het plan rond gelopen, op internet informatie gezocht over het slachtoffer, en vervolgens na een nauwgezette voorbereiding op klaarlichte dag het slachtoffer van zeer dichtbij neergeschoten, nadat hij een aantal uren in de bosjes in de directe omgeving van de plaats van het misdrijf het geschikte moment voor de aanslag had afgewacht.

De verdachte heeft opgegeven wat hem heeft bewogen een dergelijke daad te begaan. Het slachtoffer, dr. Fortuijn, was de lijsttrekker van een nieuwe politieke partij, die volgens de opiniepeilingen op het punt stond een grote zetelwinst te behalen bij de enkele dagen na de moord te houden Tweede-Kamerverkiezingen en als gevolg daarvan zeer waarschijnlijk een grote rol zou gaan vervullen in het politieke spectrum en bij de kabinetsformatie. De verdachte zag in dit slachtoffer en diens gedachtegoed een gevaar voor de democratische samenleving en in het bijzonder voor de zwakkeren in deze samenleving en was van mening dat hem, dr. Fortuijn, het zwijgen moest worden opgelegd. De verdachte brengt hiermee tot uitdrukking dat hij zich als overtuigingsdader wil profileren. Het hof zal, evenals de rechtbank heeft gedaan, uitgaan van dit door de verdachte gegeven motief en zal dit motief laten meewegen in de straftoemeting. Het hof heeft de overtuiging bekomen dat het motief van de verdachte, althans de drijfveer om te handelen zoals hij heeft gedaan, in de persoon of de persoonlijkheid van de verdachte moet worden gevonden. Zoals hierboven al is overwogen, sluit het hof niet uit dat er verband bestaat tussen de bij de verdachte aanwezige stoornis en het plegen van de moord op dr. Fortuijn.

De aanslag op dr. Fortuijn is gepleegd op 6 mei 2002, enkele dagen voor de Tweede-Kamerverkiezingen op 15 mei 2002. Deze aanslag op een lijsttrekker van een politieke partij heeft de rechtsorde en, meer algemeen, de gehele Nederlandse samenleving ernstig geschokt en is van grote invloed geweest op het verloop van die verkiezingen. De moord op een (populaire) lijsttrekker pal vóór de verkiezingen betekent per definitie ook het toebrengen van onherstelbare schade aan het democratische proces, al mogen de aard en omvang van die schade in dit strafproces niet nauwkeurig vast te stellen zijn. Een aanmerkelijk deel van de Nederlandse bevolking is niet in staat geweest zijn stem uit te brengen op de persoon van zijn keuze. Naar aanleiding van de aanslag is voorts een aantal politici in die mate bedreigd, dat zij de politiek hebben verlaten. Hoewel het voortbestaan van de democratie niet in gevaar is gekomen, kan gezegd worden dat met de aanslag op dr. Fortuijn de mate waarin burgers en mensen in publieke functies zich vrij voelen om hun mening te geven, ernstig onder druk is komen te staan. Ook daarvoor mag de verdachte aansprakelijk worden gehouden.

Met name hierin zijn de redenen gelegen waarom deze politieke moord veel zwaarder moet worden gewogen dan een enkelvoudige moord die dit politieke karakter mist. Dat betekent dat niet kan worden volstaan met een straf zoals die in Nederland voor een enkelvoudige moord, begaan door een first offender, pleegt te worden opgelegd.

Evenals de rechtbank kent het hof groot gewicht toe aan de vraag of aannemelijk is dat de verdachte opnieuw een dergelijk feit zal plegen. Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum blijkt dat het onderzoekend team geen uitspraak kan doen over de kans op herhaling van delicten zoals die zijn tenlastegelegd. Anders evenwel dan de eerste rechter oordeelde, moet de kans aanwezig worden geacht dat de verdachte opnieuw zijn eigen overtuiging zal volgen en daarbij tot het uiterste zal gaan. Het hof komt tot deze gevolgtrekking op de basis van de opgave van de verdachte van het motief voor zijn handelen, in verband gebracht met hetgeen over verdachtes persoonlijkheid is gebleken. De verdachte is, volgens de bevindingen van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum, overdreven gewetensvol en toont starheid en koppigheid. Hij is star in de bereidheid de uiterste consequenties van zijn denkbeelden te trekken. Hij kan zijn particuliere normen en principes niet opzijzetten. Het hof heeft er nota van genomen dat de verdachte, ook ter terechtzitting in hoger beroep, onvoldoende afstand van zijn daad heeft genomen en geen blijk heeft gegeven van inzicht in het verwerpelijke van met name het eerste misdrijf.

Verder wordt in aanmerking genomen dat op het tijdstip dat de verdachte schoot, zich enkele andere mensen in de nabijheid van het slachtoffer bevonden, onder wie dhr. De Wild die, gelet op het gat in de tas die hij als bescherming vóór zich hield, op enkele centimeters na geraakt is door één van de door de verdachte afgevuurde kogels. Voorts zijn in de onderhavige zaak tegen de verdachte nog drie andere feiten bewezen. Direct na het plegen van de moord heeft de verdachte geprobeerd te voet te ontvluchten, daarbij achtervolgd door de chauffeur van het slachtoffer, dhr. Smolders. Op een gegeven moment heeft de verdachte zich omgedraaid en dreigend het pistool gericht op dhr. Smolders, kennelijk in een poging hem af te schudden. Daarnaast is ook wapen- en munitiebezit en het bezit van een wapen in de vorm van de condooms c.a. bewezen. Hoewel deze feiten in verhouding tot het eerste bewezengeachte feit veel minder zwaar wegen, is van belang dat zij het oordeel bevestigen dat de verdachte bereid is om in bepaalde gevallen geweld toe te passen. Daaraan doet niet af dat de chemicaliën en de condooms ruim tien jaar geleden zijn aangeschaft en dat aannemelijk is geworden dat soortgelijke, door de verdachte gemaakte voorwerpen nooit met kwade bedoelingen of met gevaar voor personen of zaken zijn gebruikt.

Ten gunste van de verdachte weegt mee dat hij blijkens een uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 10 juni 2003 niet eerder door de strafrechter is veroordeeld. Evenzo wegen mee zijn extreem zware detentieomstandigheden en bepaalde punten van de publiciteit rondom deze strafzaak en de verdachte, zoals hierboven nader omschreven. Tegenover de ernst van met name het eerste feit legt dit alles echter nauwelijks gewicht in de schaal.

Alles overziend, blijkt dat het hof in enkele opzichten tot een andere weging van de voor de straftoemeting van belang zijnde omstandigheden komt dan de rechter in eerste aanleg. Met name geldt dit voor de kans op herhaling en de aantasting van het democratische proces. Met de kans van herhaling van een soortgelijke delict houdt het hof rekening en de aantasting van het democratische proces door de moord op deze lijsttrekker acht het hof ernstiger dan de eerste rechter deed. Dat in hoger beroep ook het vierde tenlastegelegde feit bewezen wordt geacht, is voor de straftoemeting van weinig betekenis. Anderzijds is ook hetgeen ten voordele van de verdachte strekt, van weinig gewicht. In het licht van de straffen die in Nederland voor moord, begaan door een first offender, plegen te worden opgelegd, en recht doende aan de bijzondere ernst van deze moord en de verdere omstandigheden in deze zaak, komt het hof niet tot een zwaardere hoofdstraf dan de eerste rechter. Voor oplegging van een lichtere straf is geen ruimte. Een tijdelijke gevangenisstraf voor na te noemen duur is passend en geboden.

Onttrekking en verbeurdverklaring van inbeslaggenomen voorwerpen
De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

3) 25.00 STK Munitie Kl: koper S&B 9mm Luger RPGOOI-02032013-0004
in doosje merk Sellier en Bellot

4) 18.00 STK Munitie Kl: koper MRP 9mm Luger RPGOOI-02032013-0005
in doosje merk Sellier en Bellot

5) 2.00 STK Munitie Kl: koper S&B 9mm Luger RPGOOI-02032013-0006
in doosje merk Sellier en Bellot

6) 1.00 STK Munitie Kl: koper PMC 9mm Luger RPGOOI-02032013-0007
in doosje merk Sellier en Bellot

116) 1.00 FLS Glazen fles voorzien van label zwavelzuur 94-96%, in kart. doos

117) 2.00 FLS Glazen fles met inhoud voorzien van label zwavelzuur 50%

119) 1.00 STK Niet te definiëren goederen Calvé pindakaas glazen pot garage F
met daarin condooms gevuld met witte substantie

dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder 3 en 4 bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, respectievelijk aangezien zij de verpakking zijn waarin de eerstgenoemde voorwerpen zich bevinden.

Het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

1) 1.00 STK Personenauto [kenteken] Toyota Starlet Kl: rood RPGOOI-02032013-0079

dat aan de verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien het onder 1 bewezen geachte met behulp van dit voorwerp is begaan of voorbereid.


Vordering van de benadeelde partijen

Familie Fortuijn

De benadeelde partijen als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering, T.E.M. Fortuijn, M.S. Fortuijn, E.J.M. Fortuijn en S.A.F. Fortuijn, hebben zich ieder overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door hen geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, zijnde een bedrag van telkens € 14.654,70 (begrafeniskosten).

De vorderingen zijn in de eerste aanleg toegewezen tot een bedrag van telkens € 5.500,- en de benadeelde partijen zijn voor het overige niet ontvankelijk in hun vorderingen verklaard.

De benadeelde partijen hebben zich ter terechtzitting in hoger beroep doen vertegenwoordigen door hun advocaat, mr. Hiddema te Maastricht, die heeft verklaard daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. Zij hebben zich niet in hoger beroep gevoegd voor zover de vorderingen niet waren toegewezen. Op de voet van artikel 421, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering duurt de voeging van rechtswege voort in hoger beroep voor zover de vorderingen waren toegewezen, telkens tot een beloop van € 5.500,-.

De verdachte heeft deze vorderingen niet betwist.

Het hof is van oordeel dat de vorderingen van de benadeelde partijen van zo eenvoudige aard zijn, dat deze zich lenen voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het onder 1 bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks schade hebben geleden tot het beloop dat thans nog aan de orde is. De vorderingen van deze benadeelde partijen zullen dan ook tot een bedrag van telkens € 5.500,- worden toegewezen.

De vereniging Leefbaar Rotterdam

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering, de vereniging Leefbaar Rotterdam, heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, zijnde een bedrag van € 34.326,35 (waarin begrepen € 2.082,50 aan kosten).

De benadeelde partij is in eerste aanleg niet ontvankelijk in haar vordering verklaard.

Namens de benadeelde partij heeft haar advocaat, mr. Dorsman te Rotterdam, door schriftelijke opgave bij de advocaat-generaal vóór de aanvang van de terechtzitting, zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd overeenkomstig haar eerste vordering.

De verdachte heeft deze vordering betwist.

Niet is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door enig in deze strafzaak bewezen geacht strafbaar feit, noch dat zij erfgename is van iemand die wél zodanige schade heeft geleden, dat zij levensonderhoud heeft gederfd door het overlijden van dr. Fortuijn, of dat de kosten van diens lijkbezorging tot haar last zijn gekomen. Het hof zal de benadeelde partij reeds daarom niet ontvankelijk in haar vordering verklaren.


Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 33b, 36b, 36c, 57, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26(oud) en 55 van de Wet wapens en munitie.


Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
        
Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewijslevering omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
        
Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) JAREN.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuit-voerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Onttrekt aan het verkeer de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen,
te weten:

3) 25.00 STK Munitie Kl: koper S&B 9mm Luger RPGOOI-02032013-0004
in doosje merk Sellier en Bellot

4) 18.00 STK Munitie Kl: koper MRP 9mm Luger RPGOOI-02032013-0005
in doosje merk Sellier en Bellot

5) 2.00 STK Munitie Kl: koper S&B 9mm Luger RPGOOI-02032013-0006
in doosje merk Sellier en Bellot

6) 1.00 STK Munitie Kl: koper PMC 9mm Luger RPGOOI-02032013-0007
in doosje merk Sellier en Bellot

116) 1.00 FLS Fles glazen voorzien van label zwavelzuur 94-96%, in kart. doos

117) 2.00 FLS Fles glazen met inhoud voorzien van label zwavelzuur 50%

119) 1.00 STK Niet te definiëren goederen Calvé pindakaas glazen pot garage F
met daarin condooms gevuld met witte substantie.

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1) 1.00 STK Personenauto kenteken […] Toyota Starlet Kl: rood
RPGOOI-02032013-0079.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

118) 1.00 FLS Fles glazen met inhoud met label zoutzuur 37%

120) 1.00 FLS Fles glazen met inhoud voorzien van label tolueen

121) 1.00 STK Niet te definiëren goederen kunststof voorraadbus met zg. "Time Power Unit"

122) 1.00 STK Tas Doeland plastic garage F met daarin plakken lood

123) 2.00 STK Container Kl:wit kunststof garage F met rode schroefdop, daarin witte korrelachtige substantie

124) 1.00 STK Container Kl:wit grotere garage F met schroefdop met witte substantie, kaliumchlorid

125) 1.00 STK Niet te definiëren goederen garage F glazen pot, daarin zwarte substantie, 60% gevuld

126) 1.00 STK Niet te definiëren goederen garage F met klemdeksel met zwarte substantie

127) 1.00 STK Niet te definiëren goederen kunststof garage F voorraadbus inh. witte substantie (condensvorm. bin.)

128) 1.00 STK Glas garage F laboratorium glaswerk (maatbekers/kolven)

129) 1.00 STK Niet te definiëren goederen garage F glazen pot, inh. capsules met rubberen dop en kop.

Wijst de vorderingen van de benadeelde partijen T.E.M. Fortuijn, M.S. Fortuijn, E.J.M. Fortuijn en S.A.F. Fortuijn toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan mr. Th. U. Hiddema, Wilhelminasingel 109, 6221 BH Maastricht, vier maal een bedrag van € 5.500,- (vijfduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de door de bena-deelde partijen gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerleg-ging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij de vereniging Leefbaar Rotterdam niet ontvankelijk in haar vordering en verwijst haar in de kosten, voor zover tot heden gemaakt begroot op nihil.


Dit arrest is gewezen door de negende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Chorus, IJland-van Veen en Scholten, in tegenwoordigheid van mr. Van Stein Callenfels als griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 juli 2003. 

LJN: AF7291, Rechtbank Amsterdam , 13/123078-02  
Datum uitspraak: 15-04-2003
Datum publicatie: 15-04-2003
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
 
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: [nummer]

Datum uitspraak: 15 april 2003

op tegenspraak

VONNIS


van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer extra, in de strafzaak tegen [verdachte]
geboren te [geboorteplaats],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [woonplaats],
gedetineerd in het Huis van Bewaring [adres].


De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 augustus 2002, 4 november 2002, 29 januari 2003, 27 maart 2003, 31 maart 2003 en 1 april 2003.


1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, zoals ter terechtzitting van 27 maart 2003 gewijzigd en nader omschreven. Van de dagvaarding, de vordering wijziging telastelegging en de vordering nadere omschrijving telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1, 2 en 3 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde en nader omschreven telastelegging geldt als hier ingevoegd.


2. Voorvragen

Er zijn door de raadslieden van verdachte geen preliminaire verweren gevoerd. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen aanleiding de nietigheid van de dagvaarding, de onbevoegdheid van de rechtbank, de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie of de schorsing van de vervolging uit te spreken.


3. Waardering van het bewijs

3.1. Medeplegen

In de dagvaarding, zoals die door de officier van justitie overeenkomstig artikel 261, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) tegen verdachte is uitgebracht tegen de pro forma zitting van 9 augustus 2002, was ten aanzien van feit 1 -de moord op [slachtoffer]- opgenomen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zou hebben gepleegd. Ter terechtzitting van 27 maart 2003 heeft de officier van justitie de telastelegging ten aanzien van dit feit in die zin gewijzigd dat de variant van het medeplegen daaruit is verdwenen en de beschuldiging zich richt op het feit dat verdachte de moord alleen heeft gepleegd.

Die wijziging in de beschuldiging heeft een bevestiging gevonden, met name in het onderzoek ter terechtzitting van 27 maart en 31 maart 2003 en 1 april 2003. De al eerder in de processen-verbaal van het Onderzoek Moord F. (OMF) team opgenomen conclusies dat geen van de getuigen uit het familie/relatieonderzoek op de hoogte was van de plannen van verdachte om het slachtoffer om het leven te brengen, dan wel dat anderen daarbij betrokken waren, kunnen ook worden getrokken uit alle verhoren van de overige getuigen door zowel het OMF team als de rechter-commissaris (RC), belast met de behandeling van strafzaken. Ook daarin is geen aanwijzing te vinden dat een ander of anderen bij de moord betrokken was of waren. Nu ook de overige politieonderzoeken, de technische onderzoeken, de resultaten van de gebruikte opsporingsmethodieken en de onderzoeksresultaten van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) geen indicaties geven voor betrokkenheid van een ander of anderen kan buiten redelijke twijfel worden vastgesteld -zoals ook uit de bewijsmiddelen zal blijken- dat er sprake is geweest van een door verdachte alleen voorgenomen en voorbereid plan dat ook alleen door hem is uitgevoerd.

3.2. Met betrekking tot feit 4

Door de raadslieden van verdachte is met betrekking tot het onder 4 telastegelegde een viertal verweren gevoerd die er ieder voor zich -kort gezegd- toe moeten leiden dat verdachte van dat feit zal worden vrijgesproken.

Het eerste verweer van de raadslieden komt er op neer dat verdachte dient te worden vrijgesproken, aangezien hij op 24 juni 2002 gedetineerd was in een huis van bewaring in Amsterdam en hij dientengevolge niet op 24 juni 2002 te Harderwijk een wapen als bedoeld in artikel 26 van de Wet wapens en munitie (WWM) voorhanden heeft kunnen hebben. Dit verweer wordt verworpen.

Zoals blijkt uit de toelichting op artikel 26 WWM is de plaats waar een wapen zich bevindt in eerste instantie niet van belang. Van belang is of verdachte over het wapen kon beschikken. Op 24 juni 2002 is in de woning en in de bij die woning behorende garage van verdachte te [woonplaats] een rechtmatige doorzoeking verricht waarbij onder meer de onder 4 van de telastelegging omschreven voorwerpen werden aangetroffen. Verdachte heeft in het vooronderzoek en ter terechtzitting verklaard dat die voorwerpen van hem zijn. De doorzoeking vond plaats naar aanleiding van en in vervolg op een tussen verdachte en zijn partner op 12 juni 2002 gevoerd en afgeluisterd telefoongesprek waaruit de politie de indruk kreeg dat verdachte zijn partner verzocht voorwerpen aan de aandacht van de politie en derden te onttrekken door de garage af te sluiten. Wat er ook zij van de inhoud van dat gesprek, er blijkt in ieder geval uit dat verdachte de mogelijkheid had en daarvan ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt om via dat telefonische contact met zijn partner sturend op te treden, ook ten aanzien van de nadien bij de doorzoeking aangetroffen goederen. Daaruit volgt dat de detentie van verdachte niet in de weg stond aan het voorhanden hebben van voorwerpen als bedoeld in artikel 26 WWM op een andere dan verdachtes detentieplaats.

Ook het tweede verweer van de verdediging faalt. Het verweer houdt in dat vrijspraak dient te volgen omdat de voorwerpen als omschreven in de telastelegging niet kunnen worden aangemerkt als wapen in de zin van de WWM, nu deze niet voorkomen op de lijsten die behoren bij de Richtlijn voor Strafvordering Wet wapens en munitie, zoals die onder meer kan worden gevonden op de website "openbaarministerie.nl".

Vooropgesteld wordt dat het niet tot de bevoegdheden van het openbaar ministerie (OM) behoort concrete invulling te geven aan wettelijke bepalingen. De richtlijn beoogt dat, zoals volgt uit de titel en de beschrijving daarvan, ook niet. Zij is een richtlijn voor strafvordering en draagt het karakter van een aanwijzing in de zin van artikel 130, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). Zij is daarmee een algemene aanwijzing van het college van procureurs-generaal betreffende de uitoefening van taken en bevoegdheden van het OM. Meer in het bijzonder betreft het hier een aanwijzing voor het vervolgingsbeleid van het OM met betrekking tot misdrijven (en enkele overtredingen) gepleegd ten aanzien van de WWM. Ten overvloede wordt hierbij opgemerkt dat de tekst van de richtlijn niet spreekt van een totaaloverzicht van wapens, zoals de verdediging heeft betoogd, doch van een totaaloverzicht van de basispunten die van belang zijn voor de vervolging, waarbij overigens nog expliciet wordt opgemerkt dat in sommige gevallen maatwerk is geïndiceerd.

Het OM is kortom niet bevoegd concrete invulling te geven aan de inhoud van wettelijke (straf) bepalingen en de door (de raadslieden van) verdachte aangehaalde richtlijn geeft niet naar aard of strekking de indruk dat de voorwerpen als omschreven in de telastelegging niet als wapen in de zin van de WWM moeten worden aangemerkt.

Het derde en vierde verweer van de verdediging komen samen in de stelling dat de op 24 juni 2002 te [woonplaats] aangetroffen condooms en het zwavelzuur (al dan niet in combinatie) nimmer bestemd waren voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing en dat derhalve verdachte ook op die grond van feit 4 dient te worden vrijgesproken.

Voor de beoordeling van dit verweer is het navolgende van belang.

Het deskundigenrapport van het NFI, opgemaakt op 4 februari 2003 door ing. E.M. Kok, bevat als één van de conclusies dat de aangetroffen condooms vrijwel zeker een explosief brandbaar mengsel bevatten op basis van kaliumchloraat en suiker, waarbij de enige bekende toepassing van dit mengsel is dat van (geïmproviseerd) pyrotechnisch materiaal. Ook is als conclusie opgenomen dat het toevoegen van zwavelzuur aan genoemd mengsel leidt tot warmteontwikkeling waardoor de kans bestaat op een (explosieve) ontbranding, hetgeen -zo blijkt uit het rapport- proefondervindelijk ook is vastgesteld.
Bij zijn verhoor bij de RC van 13 februari 2003 heeft de deskundige onder meer nog verklaard:
"Gelet op de inhoud van één condoom lijkt het hoofddoel van gebruik daarvan te zijn gericht op ontbranding, niet op explosie. Van dat laatste zou wel sprake kunnen zijn, indien een hoeveelheid condooms, verpakt in een stevig omhulsel, tegelijkertijd tot ontbranding zou worden gebracht."
Waar de memorie van toelichting op artikel 2, lid 1, categorie II, onder 7 WWM niet zegt hoe het woord bestemming moet worden geduid, zal moeten worden vastgesteld of uit de aard van de voorwerpen reeds kan worden afgeleid dat zij bestemd zijn voor "het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing", met andere woorden het doel moet duidelijk zijn.
Uit het NFI rapport kan weliswaar worden afgeleid dat de combinatie van de (inhoud van de) condooms na toevoeging van zwavelzuur leidt tot warmteontwikkeling met de kans op ontbranding, maar dat is onvoldoende om te concluderen dat in dit geval uit de aard van de goederen deze bestemming of dat doel kan worden afgeleid.
Vervolgens zal dienen te worden onderzocht of verdachte op 24 juni 2002 de kennelijke bedoeling had de goederen te bestemmen voor het treffen van personen of zaken.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is geen bewijs aangetroffen waaruit blijkt dat verdachte ook op 24 juni 2002 kennelijk die bedoeling had. Verdachte heeft verklaard dat hij in de vroege jaren '90 de chemicaliën heeft aangeschaft om scheikundige proefjes mee uit te voeren. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij de verschillende chemicaliën voor huis-, tuin- en keukengebruik heeft aangewend; van het wegwerken van roest op zijn auto tot aan het verwijderen van lijmresten of het bijvullen van tippex.

Voor deze stelling van verdachte is steun te vinden in het navolgende:

In vervolg op de meergenoemde doorzoeking op 24 juni 2002, waarbij ook de thans van belang zijnde goederen zijn aangetroffen in een container in de garage, is door het OMF team uitgebreid (historisch) onderzoek verricht. Uit die onderzoeken is komen vast te staan dat de aangetroffen chemicaliën zijn aangeschaft in een periode gelegen tussen (ongeveer) 1990 en 1992. Onderzocht is of de aangetroffen goederen zijn gebruikt bij bomaanslagen die zijn gepleegd in Arnhem in de jaren 1995/1996; er werden daarbij geen onderzoekswaardige overeenkomsten aangetroffen. Ook is uit door het OMF team ingesteld onderzoek gebleken dat er geen relatie bestaat tussen de bij verdachte aangetroffen chemicaliën en de bij in Nederland gelegen vlees(verwerkings)bedrijven, (vee)transportbedrijven, nertsenfokkerijen en slachterijen gebruikte goederen en brandversnellende middelen met behulp waarvan daar aanslagen zijn gepleegd. Datzelfde geldt voor een vergelijkend onderzoek dat is gedaan naar een 39-tal in Nederland gepleegde aanslagen in de periode tussen 1984 en 1994. Ook een onderzoek naar de productieperiode van de aangetroffen condooms heeft niet meer opgeleverd dan dat die periode is gelegen tussen 1988 en 1998.

Het aan verdachte onder 4 telastegelegde feit kan dan ook niet worden bewezen, nu geen bewijs kan worden geleverd voor de strafrechtelijke bestemming die aan de voorwerpen moet worden gegeven.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 4 is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

3.3. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 telastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Met betrekking tot feit 1

hij op 6 mei 2002 te Hilversum opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool vijf kogels in de nek en de rug en de schedel van die [slachtoffer] geschoten, waardoor die [slachtoffer] zodanige verwondingen aan de hersenen en het hart en de hals en de linkerlong heeft opgelopen, dat hij daaraan is overleden.

Met betrekking tot feit 2

hij op 6 mei 2002 te Hilversum [slachtoffer2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte tijdens een achtervolging door die [slachtoffer2] opzettelijk dreigend zich in diens richting omgedraaid en een vuurwapen op hem gericht.

Met betrekking tot feit 3

hij op 6 mei 2002 te Hilversum een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Star, model Firestar 34, kaliber 9x19 mm en munitie van categorie III, te weten één patroon, merk MRP, kaliber 9x19 mm en

te [woonplaats] munitie van categorie III, te weten 27 patronen, merk S&B, kaliber 9x19 mm en 18 patronen, merk MRP, kaliber 9x19 mm en één patroon, merk PMC, kaliber 9x19 mm, voorhanden heeft gehad.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


4. Het bewijs

4.1. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden ten aanzien van de verschillende feiten gebruikt zoals hierna wordt aangegeven.

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 telastegelegde:

1. De verklaring die verdachte op de terechtzittingen van 27 maart 2003 en 31 maart 2003 heeft afgelegd, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik erken dat ik op 6 mei 2002 te Hilversum [slachtoffer] heb doodgeschoten. Ik erken dat ik op 6 mei 2002 te Hilversum [slachtoffer2] heb bedreigd met een vuurwapen. Ik erken dat ik op 6 mei 2002 te Hilversum een vuurwapen bij mij had.

Ik zag [slachtoffer] als een gevaar voor de samenleving. Ik zag voor mijzelf geen andere mogelijkheid dan wat ik heb gedaan. Op 5 mei 2002 is bij mij het plan ontstaan om op 6 mei 2002 's middags de aanslag op [slachtoffer] te plegen. Ik heb op 5 mei 2002 via internet uitgezocht waar [slachtoffer] op 6 mei 2002 zou zijn en op wat voor tijdstip. Ik kan mij herinneren dat ik achter de computer heb gezeten. Ik weet dat ik de plattegronden heb gevonden en de site van 3 FM te Hilversum. Ik heb op 5 mei 2002 's avonds of op 6 mei 2002 's morgens bestanden uit mijn computer verwijderd. Ik had het idee opgevat om op 6 mei 2002 naar het Mediapark te Hilversum te gaan en te kijken of ik daar de gelegenheid kreeg om te doen wat ik van plan was te doen: [slachtoffer] doodschieten. Ik heb het vuurwapen op 5 mei 2002 's avonds of 6 mei 2002 's morgens uit de koffer op zolder gehaald. Ik heb 7 patronen in het wapen gedaan. Ik vermoed dat ik op 5 mei 2002 's avonds de spullen die ik nodig dacht te hebben in de blauwe rugzak en de plastic zak heb gedaan, zoals het pistool, de handschoenen, de pet, de zonnebril en de wasbenzine. De handschoenen waren ter voorkoming van het achterlaten van sporen. Op 6 mei 2002 ben ik van mijn werk te Wageningen naar mijn auto gelopen. Ik heb scheerschuim, een krabber en een scheerapparaat gekocht. Het was omstreeks 13.00 uur. Ik wist dat de uitzending van 3 FM om 16.00 uur zou beginnen. Ik wilde mij scheren, want ik wilde niet opvallen. Op een parkeerplaats langs de A12 heb ik mijn baard geschoren. Vervolgens ben ik nog een keer gestopt en heb ik spullen met wasbenzine schoongemaakt en vingerafdrukken weggehaald. Ik had de wasbenzine speciaal meegenomen. Ik heb het wapen schoongemaakt met een doek. Ik had mijn handschoenen aan bij het schoonmaken van het wapen. Ik ben naar het Mediapark in Hilversum gereden. Ik heb mijn auto geparkeerd op de Celebeslaan. Ik ben het Mediapark via een fietspad ingelopen. Ik had de latex handschoenen aan en een pet op. Die pet had ik in verband met de aanslag gekocht om herkenning te voorkomen. De zonnebril heb ik ook met dat doel opgezet. In mijn rechterjaszak zat de plastic zak met het wapen. Ik ben naar een parkje binnen het Mediapark gegaan. Ik heb op een bank gezeten om tot rust te komen. Ik heb mijn handschoenen met aarde donkerder gemaakt, zodat ze niet zo wit waren. Ik ben naar het 3 FM gebouw gelopen. Ik ben de struiken ingelopen en ik ben gaan zitten. Ik heb het wapen ondiep begraven voor het geval dat ik zou worden gezien. Toen heb ik afgewacht. Vanuit de bosjes kon ik het 3 FM gebouw zien en ik zag een aantal Jaguars staan. Ik wist wel dat [slachtoffer] in zulke auto's reed dus ik dacht toen dat ik daar moest wezen. In de auto heb ik zo goed als zeker naar 3 FM geluisterd en in de bosjes kon ik flarden van het programma opvangen. Ik hoorde de stem van [slachtoffer]. Even voor zessen heb ik het wapen opgegraven met mijn blote handen. Ik ben achter een auto gaan liggen. Ik keek onder de auto door en ik zag [slachtoffer] naar buiten komen. Het wapen moet toen in mijn zak hebben gezeten. Toen ik [slachtoffer] herkende ben ik gaan lopen. Ik liep richting de ingang van het 3 FM gebouw. Ik ben in wandeltempo op [slachtoffer] toegelopen, want ik wilde niet opvallen. Ik had het wapen in mijn rechterzak met de plastic zak eromheen. Ik denk dat ik het wapen schietklaar heb gemaakt toen ik de bosjes uitliep of vlak daarvoor. Ik ben om [slachtoffer] heen gelopen en ik heb op hem geschoten. Ik ben achter hem langs gelopen. Ik heb in eerste instantie op het bovenlichaam van [slachtoffer] gericht en later op zijn hoofd. Ik zag dat [slachtoffer] ineen zakte toen ik schoot en ik heb toen nogmaals geschoten. Het doel was om [slachtoffer] te doden en ik wilde ervan overtuigd zijn dat het zou slagen. Ik heb 5 kogels op [slachtoffer] afgevuurd. Ik moest iedere keer weer de trekker overhalen. Ik voelde de terugslag van het wapen en ik moest steeds opnieuw richten. Ik stond op ongeveer 1.50 meter afstand van [slachtoffer], maar het kan ook 0.50 meter dichterbij zijn geweest. Ik weet vrijwel zeker dat ik het wapen in twee handen had. De plastic zak zat er losjes omheen en ik heb door de zak heen geschoten. Het 6e schot ging per ongeluk af. Daarna ben ik gaan rennen. Toen ik in de gaten kreeg dat [slachtoffer2] mij achterna liep, heb ik mij omgedraaid en het wapen op hem gericht. Het was de bedoeling om hem af te schrikken. Ik wilde dat hij zou stoppen met mij achtervolgen. Uiteindelijk werd ik aangehouden. Ik heb het vuurwapen gekocht. Bij de levering van het vuurwapen waren losse patronen aanwezig. De doosjes patronen die bij mij thuis te [woonplaats] zijn aangetroffen heb ik later gekocht.

2. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 19 november 2002, 20 november 2002 en 22 november 2002, van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

U vraagt mij of ik op 6 mei 2002 op een parkeerterrein in het Mediapark te Hilversum met een vuurwapen schoten heb afgevuurd op [slachtoffer]. Ja, dat is zo. U vraagt mij of ik kan aangeven op welke delen van het lichaam van [slachtoffer] ik schoten heb afgevuurd. Ja, op het bovenlichaam en op het hoofd van [slachtoffer]. U vraagt mij of het mijn bedoeling was dat [slachtoffer] daarbij het leven zou laten. Ja. U vraagt mij of ik deze aanslag op [slachtoffer] heb beraamd, heb voorbereid. Ja. U vraagt mij of ik deze aanslag alleen of met anderen heb gepleegd. Alleen. U vraagt mij of anderen mij -op welke wijze ook- bij de voorbereiding van deze aanslag hebben geholpen. Nee. Ik heb een man, van wie ik nu weet dat hij [slachtoffer2] heet, mijn vuurwapen laten zien. Deze [slachtoffer2] bleef mij maar achtervolgen en ik wilde hem daarvan weerhouden. Ik heb het wapen op hem gericht. U vraagt mij of ik weet met wat voor vuurwapen en munitie ik op [slachtoffer] heb geschoten. Het is het wapen dat de politie bij mijn aanhouding in mijn kleding heeft aangetroffen. U vraagt mij of ik op 6 mei 2002 thuis in [woonplaats] op zolder, in een koffer, enkele tientallen patronen kaliber 9mm bewaarde. Ja, dat klopt.

Het gebeuren van 6 mei 2002 kwam niet voort uit een impuls. Ik heb er over nagedacht. Op een gegeven moment kwam bij mij de gedachte op dat [slachtoffer] gestopt moest worden. Hij werd in mijn ogen een gevaar voor de samenleving. Ik zag geen alternatief voor de daad die ik heb verricht. Ik heb plattegronden van het Mediapark uitgedraaid. Ik wilde ter plaatse zo goed mogelijk bekend zijn. Uit informatie van het internet had ik begrepen dat [slachtoffer] van 16.00 uur tot 18.00 uur door Ruud de Wild zou worden geïnterviewd. U merkt op dat de politie heeft bevonden dat op 6 mei 2002 bestanden uit mijn computer zijn verwijderd. Ja, dat heb ik gedaan om bij een eventuele opsporing mijn computergebruik op dit punt te verhullen. Het vuurwapen dat ik bij de aanslag heb gebruikt heb ik gekocht. In [woonplaats] bewaarde ik het wapen in de koffer waarin de politie later de doosjes munitie heeft aangetroffen. U vraagt mij wanneer ik in verband met de aanslag het wapen uit de koffer heb gehaald. Dat moet op 5 mei 2002 's avonds of op 6 mei 2002 's ochtends zijn geweest. Op 6 mei 2002 heb ik de patroonhouder gevuld met 7 patronen. Ik heb op 6 mei 2002 een paar latex handschoenen gedragen om geen vingerafdrukken op het wapen achter te laten. Dat één van mijn handen bevuild was met zwarte aarde is te verklaren door het feit dat ik met een blote hand op mijn wachtplek in de bosjes het wapen met een plastic zak eromheen daar heb begraven, opdat ik bij een ontdekking tijdens het wachten niet met een vuurwapen zou worden aangetroffen. Ik had op 6 mei 2002 1 plastic tas bij mij, voornamelijk om het wapen te kunnen verbergen. Op 6 mei 2002 heb ik om omstreeks 12.30 uur het kantoor van VMO verlaten. Ik vond mijn stoppelbaard te opvallend voor wat ik van plan was en heb daarom scheermesjes en scheerschuim gehaald. Ik ben vervolgens op zoek gegaan naar een scheerapparaat en ben geslaagd. Ik heb mijzelf op een parkeerplaats langs de A12 geschoren. Rond 16.00-16.15 uur heb ik mijn auto in de buurt van het Mediapark geparkeerd. Ik ben het Mediapark lopend over een fietspad binnengekomen. Ik ben vervolgens het terrein van het Mediapark gaan bekijken. Ik zag op de parkeerplaats, waar ik later op [slachtoffer] heb geschoten, een paar Jaguars staan. Ik dacht toen dat [slachtoffer] zich daar na het interview wel zou laten zien. Ik heb in de bosjes op hem gewacht. Ik denk dat ik ongeveer een uur in die bosjes heb gezeten. Ik heb er over nagedacht welke kleding ik zou aantrekken op 6 mei 2002. Ik heb kleding aangetrokken die niet opvallend was. Ook de pet en de zonnebril heb ik gedragen om niet herkend te worden. Ik heb mijn oorringen uitgedaan om niet op te vallen. De fles met wasbenzine had ik bij me om vóór de aanslag vingerafdrukken te verwijderen van dingen die ik daarvoor mee zou nemen, zoals de tas en het wapen die ik richting studio 3 FM heb meegenomen. Ik heb mijn pistool net voor 18.00 uur opgegraven. Ik ben uit de bosjes gekomen en naast een geparkeerde auto gaan liggen met zicht op de in/uitgang van het studiogebouw. Buiten de studio was te horen dat de uitzending met [slachtoffer] was afgelopen. Het leek wel of daar buiten het gebouw een luidspreker aanwezig was. Ik had het idee dat [slachtoffer] na het interview het studiogebouw zou verlaten. Ik zag [slachtoffer] naar buiten komen. Ik ben gaan lopen in de richting van [slachtoffer]. Ik had mijn pistool in mijn rechterhand en daaromheen een plastic tas. Het geheel zat in mijn rechterjaszak. Ik ben richting [slachtoffer] gelopen met mijn pet en mijn zonnebril op. Ik had bedacht dat als ik [slachtoffer] van voren zou benaderen hij het misschien zou zien aankomen. Het van achteren beschieten van [slachtoffer] zou de minste problemen opleveren. Van achteren zou ik hem direct dodelijk kunnen verwonden. Toen ik op 1.50 meter afstand achter [slachtoffer] stond heb ik beide armen naar boven gebracht, waarbij ik het wapen in mijn rechterhand ondersteunde met mijn linkerhand. Het wapen zat nog steeds in de plastic tas. Ik weet nog dat ik de eerste 2 schoten heb afgevuurd op de bovenkant van [slachtoffer]s rug. Ik heb totaal 5 keer op hem geschoten. Volgens mij heb ik alle schoten op [slachtoffer] afgevuurd terwijl mijn wapen in de plastic tas zat. Het 6e schot ging per ongeluk af en ik meen dat ik daarbij in de grond heb geschoten. Ik heb [slachtoffer] ineen zien zakken en heb toen nog schoten afgevuurd. Ik heb doelbewust op zijn hoofd gericht en geschoten. Ik wist dat ik op de vitale delen van [slachtoffer] zou schieten, dus op zijn bovenlichaam en hoofd. Ik had ook van tevoren bedacht dat ik zou schieten op het moment dat [slachtoffer] de studio lopend zou verlaten en dus niet te wachten tot hij in zijn auto zat. Ik heb na elke keer vuren de terugslag van het wapen gevoeld. Het gevolg van een terugslag was steeds dat ik het wapen weer moest richten. Dat heb ik tijdens het schieten op [slachtoffer] ook steeds gedaan. Nadat ik mij na het schieten op het parkeerterrein had omgedraaid ben ik weggelopen. Ik kreeg door dat ik werd achtervolgd. Ik heb een vuurwapen in de richting van [slachtoffer2] gehouden. Ik heb mij omgedraaid en het wapen op hem gericht. Ik werd op het terrein van Texaco aangehouden. Ik heb gezegd dat het wapen in mijn rechterjaszak zat. Daar is het wapen ook weggehaald. Ik heb een wapen met 4 patronen in de patroonhouder geleverd gekregen. Ik heb later 2 volle doosjes met patronen gekocht. Deze doosjes zijn de doosjes die in de koffer thuis zijn aangetroffen.

3. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer [nummer], d.d. 7 mei 2002, opgemaakt door C.H. van Kasteel en H.J. Ulderink, respectievelijk hoofdagent en brigadier van de regiopolitie Gooi en Vechtstreek (AH/01-06).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 6 mei 2002 omstreeks 18.07 uur bevonden wij ons aan het politiebureau te Hilversum. Wij hoorden dat er een melding kwam met de inhoud: "Er wordt geschoten op het NOB terrein". Hierop zijn wij van het politiebureau te Hilversum vertrokken. Wij hoorden dat de verdachte was aangehouden op de Lage Naarderweg te Hilversum ter hoogte van het Texaco benzinestation. Omstreeks 18.12 uur kwamen wij bij genoemd benzinestation aan. Wij zagen dat de verdachte door collega's was aangehouden. Ik, eerste verbalisant, zag dat de verdachte latex handschoenen aan had. Ik zag dat de verdachte een zonnebril op had. Verder zag ik een baseball cap op de grond voor de verdachte liggen. Ter hoogte van de rechterschouder van de verdachte zag ik een pistool liggen. Ik werd door een collega aangesproken met de mededeling dat [slachtoffer] was doodgeschoten. Wij zijn in de richting van het NOB complex gereden. Wij zagen om 18.15 uur een ambulance stoppen op het NOB complex ter hoogte van de ingang van het gebouw Radio 3 FM. In de richting van het 3 FM gebouw stonden meerdere Daimlers/Jaguars geparkeerd. Het slachtoffer lag circa 15 meter vanaf de ingang van het Radio 3 FM gebouw. Rondom het slachtoffer lag een 5 tal hulzen. Ik, tweede verbalisant, zag dat het slachtoffer verwondingen aan het hoofd en in de halsstreek had. Ik, eerste verbalisant, herkende het slachtoffer als [slachtoffer]. Aan de linkerzijde van het hoofd zag ik verwondingen die door de schedel gingen. In de halsstreek, ook aan de linkerzijde van het slachtoffer, zag ik een verwonding. Verder zag ik dat onder het hoofd en bovenlichaam een grote hoeveelheid bloed lag. Om 18.51 uur stelt forensisch geneeskundige/GGD arts dr. Loo (de rechtbank leest: Lo) de dood van het slachtoffer vast.

4. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer [nummer], d.d. 6 mei 2002, opgemaakt door R.M. Bosch, H.O. Lammers, M.P.A. Molenaar en H.J. Plantinga, respectievelijk hoofdagent, agent, hoofdagent en hoofdagent van de regiopolitie Gooi en Vechtstreek (AH/12-15).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 6 mei 2002 te 18.12 uur is op de Lage Naarderweg te Hilversum een verdachte aangehouden. Op 6 mei 2002 omstreeks 18.00 uur waren wij belast met het toezicht in de politieregio Gooi en Vechtstreek. Wij hoorden dat er op het Mediapark te Hilversum was geschoten. Vervolgens zijn wij in de richting van het Mediapark in Hilversum gereden. Wij zagen een manspersoon. Hij riep tegen ons dat de dader de Celebeslaan op was gerend. Hij wees vervolgens in de richting van de Lage Naarderweg. Ik, vierde verbalisant, rende samen met de eerder genoemde getuige in de door hem aangewezen richting. De getuige deelde mij mede dat de dader een petje en zonnebril droeg. Ik, derde verbalisant, zag dat een manspersoon de aandacht trok. Ik zag dat deze man wees in de richting van de Borneolaan. Ik ben in de richting van de Borneolaan gerend. Gekomen op de kruising met de Borneolaan zag ik dat voor mij, lopend in de richting van de Lage Naarderweg, over de Borneolaan een manspersoon rende welke voldeed aan het eerder opgegeven signalement. Gekomen op de Lage Naarderweg zag ik dat de verdachte de Lage Naarderweg was overgestoken en in de richting van het benzinestation Texaco rende. Wij, eerste en tweede verbalisant, hebben ons vuurwapen getrokken en op de verdachte gericht die voldeed aan het opgegeven signalement. Wij, eerste en derde verbalisant, hebben de verdachte aangeroepen om op zijn knieën te gaan zitten en om zijn handen op zijn hoofd te plaatsen. Ik, eerste verbalisant, heb de verdachte gevraagd waar hij het vuurwapen had. Ik hoorde dat hij zei: "In mijn rechterzak". Ik zag dat in zijn rechterjaszak een pistool zat. Ik heb dit pistool uit zijn jaszak gehaald. Ik zag dat de hamer van het pistool gespannen was. Wij hebben dit pistool in beslag genomen.

5. Een proces-verbaal van verhoor van getuige, d.d. 31 juli 2002, van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de getuige [slachtoffer2], zakelijk weergegeven:

Op 6 mei 2002 heb ik [slachtoffer] rondgereden in zijn Daimler. Het was de bedoeling dat [slachtoffer] van 16.00 uur tot 18.00 uur een interview zou afgeven in studio 3 FM. Om 15.45 uur waren wij bij de studio. Ik heb [slachtoffer]s auto daar geparkeerd. De uitzending duurde tot een paar minuten voor 18.00 uur. Vervolgens zijn [slachtoffer] en ik naar buiten gelopen. Ik ben doorgelopen naar de Daimler. Toen hoorde ik knallen, volgens mij 2. Ik zag [slachtoffer] in elkaar zakken. Ik zag op ongeveer 1,5 meter afstand van [slachtoffer] een man staan met een wapen in zijn hand. Ik hoorde dat die man nog een aantal schoten afvuurde, dit maal 3 of 4 stuks. Mij viel aan de schutter op dat hij een pet op had en een zonnebril. Ik zag dat toen de schutter zich omdraaide, kennelijk om weg te lopen, het wapen van de schutter nog een keer afging. Ik zag een vonk. Volgens mij ging het schot de grond in. Ik kan me ook nog herinneren dat de schutter tijdens het schieten in een van zijn handen een plastic tas vast had, ter hoogte van het wapen. Ik zou het wapen omschrijven als een pistool. De schutter rende hard weg en ik rende achter hem aan. Op de Celebeslaan heeft de schutter zich naar mij omgedraaid. Ik zag dat de schutter een gestrekte arm in mijn richting wees. Ik zag dat hij in de hand van die gestrekte arm een wapen hield met de loop op mij gericht. Ik zag de schutter linksaf slaan de Lage Naarderweg op. Ik heb de schutter aangehouden zien worden bij het Texacostation. Ik weet 200% zeker dat de man die is aangehouden dezelfde man was die ik vanaf het Mediapark heb achtervolgd en die ik in mijn verklaring de schutter heb genoemd. U vraagt mij of ik mij op het moment dat de schutter het wapen op mij richtte bedreigd voelde. Ik hield er in elk geval wel rekening mee dat hij kon schieten.

Ten aanzien van het onder 1 telastegelegde:

6. Een verslag betreffende een niet natuurlijke dood, d.d. 6 mei 2002, opgemaakt door G.C. Lo, lijkschouwer van de gemeente Hilversum (DIV/04).

Dit verslag houdt als verklaring van voornoemde deskundige onder meer in, zakelijk weergegeven:

Naam: [slachtoffer]
Overlijdensdatum: 6 mei 2002
Plaats: Hilversum

Op rug liggend overleden. In verband met gerechtelijke sectie wordt het lichaam als geheel aangeboden en nadere uitwendige schouw zal daarbij plaatsvinden.

7. Een verslag van het Nederlands Forensisch Instituut, nummer [nummer], d.d. 30 mei 2002, opgemaakt door de beëdigde deskundigen A. Maes en G. van Ingen, beiden arts en patholoog (TR/141-149).

Dit verslag houdt als verklaring van voornoemde deskundigen onder meer in, zakelijk weergegeven:

Op 6 mei 2001 (de rechtbank leest: 2002) hebben wij de uit- en inwendige schouwing verricht op het lijk van [slachtoffer], overleden te Hilversum op 6 mei 2002 omstreeks 18.50 uur. Bij de sectie is het navolgende gebleken:

A1. Er waren aan het lichaam 8 perforaties passend bij 3 doorschotletsels aan de romp en 2 tangentiale schoten aan het hoofd.
B1. Inschotopening rechts in de nek met uitschotopening links voor aan de hals met perforatie van de weke delen van de hals, bloeding in de halsspieren, de gemeenschappelijke halsslagader rechts en de rechter schildklierhelft en destructie van het strottenhoofd.
2. Inschotopening links aan de rug met uitschotopening links voor aan de borst. Er was perforatie van de borstkas en de linkerlong.
3. Inschotopening links aan de rug met uitschotopening links voor aan de borst. Er was perforatie van de linkerlong, het hartzakje en schampen van de linkerhartkamer.
4. Tangentiale beschadiging van het schedelbot met naar binnen dringen van botdelen en een kogeldeel tot diep in het hersenweefsel.
5. Tangentiale beschadiging van het schedelbot met naar binnen dringen van botdelen tot in het hersenweefsel.

Conclusie: [slachtoffer] had meerdere schotverwondingen opgelopen met beschadiging van onder meer borstkas, linkerlong, hart, strottenhoofd, rechter gemeenschappelijke halsslagader, schedel en hersenen. Het oplopen van deze schotverwondingen heeft de dood tot gevolg gehad.

Ten aanzien van het onder 3 telastegelegde:

8. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer [nummer], d.d. 7 mei 2002, opgemaakt door W.L. Snijders en A. van der Land, beiden brigadier van de regiopolitie Gooi en Vechtstreek (AH/16-19).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van een schietincident welke plaats vond op 6 mei 2002 in Hilversum werd door ons, werkzaam bij het Regionaal Bureau Wapens en Munitie, een onderzoek ingesteld naar het bij het schietincident gebruikte vuurwapen en de daarbij behorende munitie. Als verdachte van dat schietincident werd op 6 mei 2002 op heterdaad aangehouden [verdachte]. Tijdens de aanhouding droeg de verdachte een vuurwapen wat inbeslaggenomen werd. Het op 6 mei 2002 bij de verdachte [verdachte] inbeslaggenomen voorwerp is een pistool, merk Star, model Firestar 34, kaliber 9x19mm. Het pistool was voorzien van een patroonhouder geschikt voor 7 patronen. Dit pistool is een vuurwapen in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie. De verdachte had tevens 6 stuks voor dit vuurwapen geschikte munitie voorhanden. Dit betrof munitie, merk MRP, kaliber 9x19 mm. De munitie die werd aangetroffen op het plaats delict is soortgelijk voor wat betreft bodemstempel, kaliber en merk aan de munitie welke werd aangetroffen bij de doorzoeking van de woning van de verdachte op 6 mei 2002 in perceel [adres] te [woonplaats]. De op 6 mei 2002 inbeslaggenomen munitie betreft kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm. Dit is munitie in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie. De munitie is geschikt om te worden verschoten met het bij de verdachte inbeslaggenomen vuurwapen.

9. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer [nummer], d.d. 8 mei 2002, opgemaakt door A. van der Land, brigadier van de regiopolitie Gooi en Vechtstreek (AH/101).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

In aanvulling en ter verduidelijking van het proces-verbaal opgemaakt door het Regionaal Bureau Wapens en Munitie d.d. 7 mei 2002 verklaar ik het volgende: In het proces-verbaal voornoemd wordt gesteld dat de verdachte 6 stuks voor het in het proces-verbaal voornoemde vuurwapen voorhanden had. Hiermee wordt bedoeld dat er in de kamer van het bij de verdachte inbeslaggenomen vuurwapen 1 patroon werd aangetroffen. Op de plaats delict werden vijf hulzen aangetroffen. De in het vuurwapen aangetroffen patroon en de hulzen op de plaats delict waren allen voorzien van hetzelfde bodemstempel. Dit betrof munitie, merk MRP, kaliber 9x19 mm. Deze munitie is op 6 mei 2002 inbeslaggenomen. Op 6 mei 2002 heeft in perceel [adres] te [woonplaats] een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van de verdachte. In de woning van de verdachte voornoemd werd munitie aangetroffen en inbeslaggenomen. Deze munitie was voorzien van verschillende bodemstempels, maar waren allemaal van het kaliber 9x19 mm. Alle aangetroffen munitie van het kaliber 9x19 mm die in de woning van de verdachte is aangetroffen is geschikt om te worden verschoten met het bij de verdachte inbeslaggenomen vuurwapen.

10. Een ambtsedig proces-verbaal, d.d. 7 mei 2002, opgemaakt door M. Tromp, brigadier-rechercheur van de regiopolitie Gooi en Vechtstreek (AH/97-100).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 6 mei 2002 werd er een doorzoeking ter inbeslagneming gedaan in de woning [adres] te [woonplaats]. Deze woning wordt bewoond door [verdachte]. Op de zolder van de woning werd aangetroffen een koffer met inhoud:

- 1 doosje munitie, 25 stuks 9x19 mm, merk S&B
- 1 doosje munitie, 18 stuks 9x19 mm, merk MRP en 1 patroon PMC en 2 patronen S&B

11. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer [nummer], d.d. 10 mei 2002, opgemaakt door W.L. Snijders, brigadier van de regiopolitie Gooi en Vechtstreek (AH/102).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Bij de doorzoeking in de woning, perceel [adres] te [woonplaats], op 6 mei 2002 werd op de zolder van genoemde woning een koffer aangetroffen. In die koffer werden onder andere 2 doosjes met munitie aangetroffen. Dit betrof een doosje met munitie, merk Sellier & Bellot en bevatte:

- 25 kogelpatronen, merk Sellier en Bellot, kaliber 9x19 mm

en een doosje met munitie, merk Sellier en Bellot, wat bevatte:

- 18 kogelpatronen, merk MRP, kaliber 9x19 mm
- 2 kogelpatronen, merk Sellier & Bellot, kaliber 9x19 mm
- 1 kogelpatroon, merk PMC, kaliber 9x19 mm

De op 6 mei 2002 inbeslaggenomen munitie betreft kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm en is munitie in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie.

4.2. Nadere bewijsoverweging.

Voorbedachten rade

Verdachte heeft op de avond voorafgaande aan de aanslag op het slachtoffer via internet uitgezocht waar het slachtoffer de volgende dag zou zijn en op welk tijdstip. Daarbij heeft verdachte plattegronden van het Mediapark te Hilversum uitgedraaid. Ook heeft hij die avond of de volgende morgen het vuurwapen waarmee hij het slachtoffer van het leven heeft beroofd uit de koffer gehaald en het wapen voorzien van een houder met patronen. Vervolgens heeft verdachte het wapen met een plastic zak, de latex handschoenen, de zonnebril en de speciaal voor deze gelegenheid gekochte pet, welke spullen dienden ter voorkoming van zijn herkenning en het achterlaten van sporen, in zijn rugzak gedaan. Op de dag van de aanslag heeft verdachte weloverwogen niet opvallende kleding aangetrokken. Daarnaast heeft hij scheerbenodigdheden gekocht waarmee hij zich heeft geschoren om ook in dat opzicht niet op te vallen. Tevens heeft verdachte met een speciaal voor dat doel meegenomen fles wasbenzine onder meer het wapen schoongemaakt en vingerafdrukken verwijderd.

Na aankomst van verdachte op het Mediapark is hij het terrein gaan verkennen. Verdachte heeft enige tijd op een bank in een parkje gezeten om tot rust te komen. Toen heeft hij zijn handschoenen met aarde donkerder gemaakt, zodat ze niet zouden opvallen. Daarna heeft verdachte gedurende ongeveer een uur in de struiken gezeten bij het 3 FM gebouw, alwaar het slachtoffer in een radioprogramma optrad. Hij had het wapen begraven voor het geval hij zou worden gezien. Verdachte kon vanuit de struiken de stem van het slachtoffer via een luidspreker horen. Kort voor het einde van de radiouitzending is verdachte achter een auto gaan liggen en heeft hij het moment afgewacht waarop het slachtoffer naar buiten kwam. Verdachte heeft in dat verband verklaard dat hij van tevoren had bedacht dat hij zou schieten op het moment dat het slachtoffer de studio lopend zou verlaten en dat hij wist dat hij op de vitale lichaamsdelen van het slachtoffer zou gaan schieten.

Gezien de hiervoor beschreven voorbereidingen en gelet op het feit dat verdachte op de dag van de aanslag diverse momenten heeft gehad waarop hij zijn geplande daad kon overdenken, is de rechtbank van oordeel dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg is overgegaan tot het uitvoeren van zijn plan om het slachtoffer van het leven te beroven.


5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.


6. De strafbaarheid van verdachte

De psychiater A.A.R. de Kom en de psycholoog J.M. Oudejans, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht, hebben, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte rapport van 20 maart 2003, de verdachte onderzocht. Zij zijn tot de conclusie gekomen dat verdachte een intellectueel hoogbegaafde, lichamelijk gezonde man is bij wie sprake is van een obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis. Deze komt tot uiting in perfectionisme dat het voltooien van taken bemoeilijkt en in overmatige toewijding aan het werk met uitsluiting van ontspannende bezigheden en vriendschappen. Voorts uit zich verdachtes persoonlijkheidsstoornis doordat hij overdreven gewetensvol is, scrupuleus en star betreffende zaken van moraliteit, ethiek en normen (niet te verklaren vanuit de culturele achtergrond van zijn milieu) en doordat hij starheid en koppigheid toont. Deze persoonlijkheidsstoornis is echter niet van aanwijsbare invloed geweest ten tijde van de thans aan hem telastegelegde feiten.

Verdachtes voornemen tot doding van het slachtoffer werd ingegeven door zijn verwachting dat het slachtoffer een groot gevaar zou vormen voor de zwakkeren. Deze verwachting kan niet uit verdachtes persoonlijkheidsstoornis worden verklaard. Voorzover verdachte zich door het slachtoffer verontrust voelde, is die vrees niet als een pathologisch motief aan te merken. Verdachte heeft zonder aanwijsbaar ziekelijke beperking geprobeerd het slachtoffer gewapend te benaderen met de bedoeling hem te doden. Verdachte heeft zijn vuurwapen niet uit andere dan reële motieven voorhanden gehad. Verdachte heeft kort voor het doodschieten van het slachtoffer besloten dat daartoe de gelegenheid bestond en vervolgens zonder aanwijsbaar pathologische beïnvloeding het slachtoffer beschoten. Ook in de wijze van uitvoeren van deze gewapende en dodelijke overrompeling is geen invloed van een stoornis aanwijsbaar, zoals tevens geldt voor het met dat wapen bedreigen van een achtervolger. Voorzover er sprake is geweest van een overschatting van de macht en invloed van het slachtoffer, kan deze vertekening niet verklaard worden vanuit eventuele pathologische motieven. Ook de afwezigheid van morele twijfel is in dit geval niet pathologisch bepaald en dient gezien te worden tegen de achtergrond van een al veel langer bestaande bereidheid om de uiterste consequentie te trekken uit zijn politieke overtuigingen en principes.

De psychiater A.A.R. de Kom en de psycholoog J.M. Oudejans adviseren de rechtbank de verdachte met betrekking tot het telastegelegde als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen. Aangezien er geen verband bestaat tussen genoemde persoonlijkheidsstoornis die bij verdachte kon worden vastgesteld en het thans telastegelegde, kan het onderzoekend team geen uitspraak doen over de kans op herhaling van delicten zoals die thans zijn telastegelegd. Om deze reden ziet het team geen aanleiding tot het uitbrengen van een advies tot begeleiding of behandeling van verdachte in een strafrechtelijk kader.

De rechtbank neemt deze conclusie over en volgt dit advies op.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.


7. Motivering van de straf en maatregel

Alvorens aan de bespreking van de strafmaat toe te komen, zal eerst een samenvatting worden gegeven van het standpunt van de officier van justitie en het standpunt van de verdediging met betrekking tot de strafmaat.

7.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat alle aan verdachte verweten gedragingen bewezen zijn en hij heeft gevorderd hem voor die feiten te veroordelen tot een levenslange gevangenisstraf. Daartoe heeft hij -samengevat- de navolgende argumenten aangevoerd:

Moord is een onherstelbaar misdrijf. Van de dader mag worden verondersteld dat hij zich er rekenschap van geeft dat hij onherstelbare schade aanricht voor het slachtoffer doordat hij diens leven, het meest kostbare en kwetsbare bezit, afneemt en dat hij onpeilbaar leed berokkent aan de nabestaanden.
Alleen hierom al is een zeer langdurige gevangenisstraf op zijn plaats.

De ernst van dit feit wordt voorts bepaald door het object van de moord en de gevolgen daarvan.
Het slachtoffer was een politicus die op het punt stond een zeer belangrijke rol in het hart van het politieke krachtenveld en democratisch proces te gaan vervullen. Door hem te vermoorden doorboorde verdachte het hart van het democratisch proces op onherstelbare en criminele wijze.
Door de moord is de samenleving aanzienlijk ontwricht: het politieke klimaat is ernstig veranderd doordat persoonsbeveiliging voor politici en hun gezinnen noodzakelijk werd en veel burgers lange tijd het angstige gevoel hebben gehad dat het uitkomen voor een meer uitgesproken mening of opvatting geweld zou kunnen oproepen.

Tenslotte heeft verdachte getracht aan zijn aanhouding te ontkomen door op zijn vlucht iemand met een pistool te bedreigen.

Verdachte heeft bij de uitvoering gehandeld als ware sprake van een liquidatie. Verdachte nam door zijn handelen het risico dat hij ook anderen in de nabijheid van het slachtoffer 3 zou raken.

Dat juist iemand, zo vervolgt de officier van justitie, als verdachte die in zijn werk gebruik maakte van alle middelen die onze rechtsstaat kent, het slachtoffer op deze criminele wijze de mond heeft gesnoerd, is even onbegrijpelijk als onvergeeflijk.
Verdachte is in alles berekenend geweest, zowel in zijn denken en doen rond de moord als in zijn (proces)houding nadien. Verdachte heeft geen spijt betoond en aan zijn voornemen om het slachtoffer om het leven te brengen is geen morele worsteling of conflict voorafgegaan. Zijn daad is uitermate laf te noemen. Gezien verdachtes starheid in opvattingen laat het zich denken dat hij, bij het opkomen van een nieuwe politieke figuur in wie hij een gevaar voor de samenleving ziet, tot herhaling van een soortgelijk misdrijf in staat is. De straf moet mede tot doel hebben hem hiervan te weerhouden.
Alle gevolgen die de moord voor verdachte heeft gehad zijn voor hem voorzienbaar geweest en komen dus voor zijn rekening, ook het feit dat hij een onschuldige partner en kind achterlaat.
Verdachte is volledig toerekeningsvatbaar.
Verdachte heeft geen strafblad. Dat valt echter in het niet bij het voorgaande.

Straf dient naast vergelding ook algemeen preventief te werken. Niemand moet het ooit nog in zijn hoofd halen om het voorbeeld van verdachte te volgen om zo het democratisch proces in ons land op criminele en ondemocratische wijze te frustreren. De prijs die daarvoor betaald moet worden is te hoog, aldus de officier van justitie.

7.2. Standpunt van de verdediging

De raadslieden van verdachte hebben aangevoerd (zoals hiervoor al inhoudelijk besproken) dat het aan verdachte onder 4 telastegelegde feit niet kan worden bewezen, zodat verdachte van dat feit dient te worden vrijgesproken.

Daarnaast hebben de raadslieden betoogd dat er zich in het strafproces tegen verdachte bijzonderheden hebben voorgedaan, die -mede in onderling verband bezien- zijn aan te merken als verzuimen in de zin van artikel 359a Sv en ingevolge het bepaalde in dat artikel zouden moeten worden verdisconteerd in de aan verdachte op te leggen straf. De raadslieden hebben -kort samengevat- de navolgende bijzonderheden aangevoerd:

1.   De wijze waarop de voorlopige hechtenis is tenuitvoergelegd en de detentieomstandigheden zijn in een aantal opzichten anders geweest dan normaal. De verdediging heeft daarbij gewezen op de toegepaste beperkingen gedurende een aanzienlijke periode, het cameratoezicht en het op verdachte toegepaste individueel regime, aan welk laatstgenoemd aspect zij evenwel geen strafvorderlijke consequenties heeft verbonden.
2. De uitlatingen die politici publiekelijk hebben gedaan over de schuld van verdachte, de rechten die hem zouden moeten worden ontzegd, de straf die hij zou verdienen en de behandeling van zijn strafzaak. Deze stelling is bij pleidooi nader uitgewerkt aan de hand van jurisprudentie.
3.   Door de ministeriële interventie ten tijde van het PBC onderzoek heeft de minister van justitie rechtstreeks invloed uitgeoefend op het strafproces.
4.  Ook is volgens de raadslieden de verklaringsvrijheid van verdachte aangetast, aangezien de aanhouding van de partner van verdachte geen ander doel diende dan verdachte te laten verklaren.

Tenslotte hebben de raadslieden gepleit voor matiging van de door de officier van justitie gevorderde straf, in die zin dat oplegging aan verdachte van een straf van tenminste 12 en ten hoogste 16 jaar zou moeten worden opgelegd. Daartoe hebben de raadslieden -zakelijk weergegeven- het navolgende aangevoerd:

De moord op het slachtoffer is niet ernstiger dan de moord op iemand anders, zodat er geen reden is in deze strafzaak bij de vaststelling van de straf af te wijken van de strafmaat die gemiddeld wordt gehanteerd in moordzaken.
Voorzover het motief en de wijze waarop de moord is gepleegd mee mogen spelen, hetgeen de raadslieden primair betwisten, geldt het volgende:
Verdachte zag in de opkomst van het slachtoffer een groot maatschappelijk gevaar. Niet kan worden gesproken van een aanslag op de democratie en dat heeft verdachte ook nooit beoogd, aldus de raadslieden. Verdachte zag, zo heeft hij verklaard, in het slachtoffer juist een gevaar voor de democratie. Hem kan slechts worden verweten dat hij de verkiezingen van 15 mei 2002 heeft verstoord.

Het motief van verdachte is, mede gelet op bovenstaande omstandigheden, niet extra verwerpelijk, aldus de raadslieden. Deze zaak moet, zoals reeds werd betoogd, worden behandeld als een gewone moordzaak. De -mogelijke- schade aan de democratie moet binnen de juiste proporties worden beschouwd.

Ook de maatschappelijke onrust die volgde op de moord op het slachtoffer kan naar het oordeel van de verdediging slechts in zeer beperkte mate een strafverhogend effect hebben. Verdachte stond in zijn aversie tegen het slachtoffer, diens opvattingen en groeiende machtspositie immers niet alleen. De maatschappelijke onrust na de moord is niet uitsluitend door dat feit veroorzaakt. Er was al sprake van groeiende spanning en onrust in de aanloop naar de verkiezingen die ook een rol hebben gespeeld bij de onrust die is gevolgd op de moord op het slachtoffer.

Er zijn geen aanwijzingen dat er gevaar voor herhaling bestaat; dat volgt niet uit de inhoud van het PBC rapport. Evenmin zijn andere feiten en omstandigheden bekend geworden die de aanname van een concrete vrees voor herhaling rechtvaardigen. Integendeel: de stoornis die is geconstateerd, staat juist in het teken van agressiegeremdheid. Het geweten van verdachte vertoont geen gebreken en vormt juist een contra-indicatie voor het bestaan van gevaar op herhaling.

Voorzover er naast het politieke motief nog een factor meespeelde was dat gelegen in het feit dat bij verdachtes persoon in de maanden voorafgaande aan de moord sprake was van groeiende spanning. Daar kwam de maatschappelijke spanning van die periode bovenop. Een dergelijke combinatie van factoren zal zich normaal gesproken niet meer voordoen.

Een vergelijking met andere zaken waarin levenslang werd opgelegd levert geen rechtvaardiging op daar in deze zaak toe te beslissen, aldus de raadslieden.

Verdachte heeft een gezin en is niet eerder veroordeeld en daar behoort rekening mee te worden gehouden bij het vaststellen van de strafmaat.

7.3. Standpunt rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, een en ander zoals ter terechtzitting is gebleken.

Alvorens te bespreken welke factoren naar het oordeel van de strafkamer de hoogte van de straf in deze zaak dienen te bepalen, zal eerst worden onderzocht of, zoals door de verdediging is gesteld, er gronden zijn om de uiteindelijk op te leggen straf te verminderen gelet op het bepaalde in artikel 359a Sv.

Voorlopige hechtenis en detentieomstandigheden

Het feit dat de detentieomstandigheden ontegenzeggelijk in een aantal opzichten anders zijn geweest dan normaal, maakt nog niet dat daarmee een verzuim is ontstaan dat moet worden meegewogen in de zin van artikel 359a Sv.

· Beperkingen

Verdachte zijn van 8 mei 2002 tot 1 juni 2002 alle beperkingen opgelegd. Daartegen is door de verdediging bij bezwaarschrift opgekomen en de raadkamer van deze rechtbank heeft bij beschikking, na afweging van de belangen, het voortduren van de beperkingen gerechtvaardigd geacht. Van een verzuim in de zin van bovengenoemd artikel kan derhalve niet gesproken worden.
· Cameraobservatie

Ook hier is geen sprake van een verzuim dat langs de weg als door de verdediging betoogd gewogen moet worden. De door de autoriteiten gemaakte inschatting van risico's en de daarop gevolgde besluitvorming passen in een daarvoor bestemd wettelijk kader en zijn door de Raad voor de Strafrechtstoepassing getoetst. Voor een afzonderlijke toetsing is in dit strafproces geen plaats.

Uitlatingen politici

Het is een feit van algemene bekendheid dat op en na 6 mei 2002 politici publiekelijk uitlatingen hebben gedaan over de op het slachtoffer uitgevoerde aanslag. In een aantal gevallen zijn daarbij ook mededelingen gedaan over de vraag of verdachte als dader van die aanslag moest worden aangewezen, nog voordat het strafproces waarin die strafrechtelijke verantwoordelijkheid moet worden vastgesteld, was begonnen.
Voorzover die uitlatingen van belang zouden kunnen zijn voor enige in het strafproces te nemen beslissing is na afweging ter terechtzitting van 9 augustus 2002 daarover beslist en heeft de RC in het verlengde van die beslissing een aantal politici als getuige gehoord. Daarmee is strafrechtelijk gezien die kwestie geëindigd.
Het waarde oordeel dat door de verdediging aan uitlatingen van politici is gegeven blijft voor haar rekening en levert geen strafverminderende omstandigheid op in de zin van artikel 359a Sv.

Ministeriële interventie in het PBC-onderzoek

Ter terechtzitting van 29 januari 2003 heeft de verdediging aandacht besteed aan het cameratoezicht in het PBC. Daaromtrent is door de verdediging en de officier van justitie ter terechtzitting gediscussieerd en ook de toen ter terechtzitting gehoorde getuige heeft een verklaring afgelegd over de feitelijke gang van zaken rond deze kwestie. In de door de strafkamer genomen beslissingen op die zitting van 29 januari 2003 kon worden uitgegaan van een afbouw van dat toezicht. Bij de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van met name 31 maart 2003, toen het uitgebrachte PBC rapport is besproken, is niet gebleken dat de kwestie rond het cameratoezicht op enigerlei wijze van invloed is geweest op de kwaliteit van het uitgebrachte rapport, in welk rapport de verdediging en verdachte zich ook ten volle hebben kunnen vinden. Niet valt in te zien waarom onder die omstandigheden er nog kan worden gesproken van een verzuim dat gewogen dient te worden op de wijze als door de verdediging bepleit.

Aantasting verklaringsvrijheid verdachte

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de officier van justitie de aanhouding van de partner van verdachte heeft bevolen en deze ook is geëffectueerd nadat het tweede explosievenrapport van het NFI op 30 augustus 2002 was afgesloten. De voorlopige conclusies van dat rapport rechtvaardigden voor de officier van justitie de partner van verdachte aan te merken als verdachte in de zin van artikel 27 Sv. Verdachte is op 4 september 2002 door het OMF team tussen 10.10 uur en 11.15 uur in aanwezigheid van zijn raadsman gehoord nadat hem de cautie is gegeven, waarbij ondermeer de aanhouding van zijn partner aan de orde is gekomen en is gesproken over de aangetroffen container met chemicaliën. Het daarna door de verdachte opgestelde bericht, dat is gedateerd 1 september 2002, maar pas op 9 september 2002 naar het OMF-team is gefaxt, inhoudende dat zijn partner -samengevat- niets daarmee te maken had is verzonden nadat zijn partner door de RC op 6 september 2002 in vrijheid was gesteld. Niet is gebleken, noch is door de verdediging aannemelijk gemaakt dat verdachte in zijn verklaringsvrijheid is aangetast. Immers er is uit het dossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting een aanwijzing te putten dat verdachte op 4 september 2002 onder dwang naar de plaats van verhoor is geleid of gedwongen is zich uit te laten over de feiten waarvan hij werd verdacht. Datzelfde geldt voor de nadien door verdachte verstuurde fax. Ook hier leidt het door de verdediging ingenomen standpunt dus niet tot het door hen gewenste resultaat.

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank geen aanleiding ziet de hierna te formuleren straf te verminderen op grond van het bepaalde in artikel 359a Sv.

Strafmaat

Daarmee komt de rechtbank toe aan het vaststellen van de factoren die bepalend zijn voor de strafmaat in deze strafzaak.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het navolgende laten meewegen.

Door middel van dit strafproces en het opleggen van een straf dient het gedrag van verdachte dat hem, op grond van de inhoud van het over hem uitgebrachte rapport van het PBC, volledig kan worden toegerekend, als onaanvaardbaar te worden gekwalificeerd en volstrekt te worden afgewezen. Daarbij geldt overigens dat bij een levensdelict de straf nimmer het leed dat is toegebracht kan vergelden.
Gepoogd zal moeten worden om een rechtvaardige straf op te leggen die meer is dan het tegemoet komen aan de in onze samenleving wel gehoorde roep om (ultieme) vergelding.

Bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf komt onder meer betekenis toe aan de relatie tussen dader en slachtoffer dan wel het ontbreken daarvan, de wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht, het aantal slachtoffers, het strafrechtelijk verleden van de dader en diens persoon en het al dan niet bestaande gevaar voor herhaling.

Oog moet worden gehouden voor andere strafdoelen dan alleen de vergelding en het door het opleggen van een gevangenisstraf al dan niet definitief uit de samenleving verwijderen van de dader. Waar criminaliteit van alle tijden is, evenals de behoefte om daarop te reageren, zal aansluiting moeten worden gezocht bij de opvattingen die daaromtrent thans geldend zijn te achten en waarbij met name ook speciale preventie en reïntegratie in de samenleving een rol (zouden) kunnen spelen.

Voor wat betreft het motief van verdachtes handelen moet worden aangenomen, op grond van wat daarover tijdens het vooronderzoek en ter terechtzitting is gebleken en ook aannemelijk wordt geacht, dat verdachte in het slachtoffer een steeds groter wordend gevaar zag voor de samenleving, met name voor kwetsbare groepen, zoals asielzoekers, moslims en mensen met een WAO-uitkering. In verdachtes optiek school er in het optreden van het slachtoffer een gevaar voor belangrijke fundamenten van onze samenleving.
Voorzover van invloed op de strafmaat, zal de rechtbank verder van dit door verdachte gegeven motief uitgaan.


Vaststaat allereerst dat verdachte door zijn handelen onherstelbaar leed heeft toegebracht
-zoals dat overigens geldt voor elke moord op een medemens- aan de nabestaanden. Daarenboven heeft verdachte de normen van onze samenleving en de wijze waarop men in het politiek debat met elkaar pleegt om te gaan op een buitengewoon grove wijze geschonden en ondergeschikt gemaakt aan de invulling van een werkelijkheid zoals hij die zag en waarbij het doel van zijn crimineel handelen gelegen was in het definitief uitschakelen van het slachtoffer.

Het feit heeft in zijn algemeenheid de rechtsorde buitengewoon ernstig geschokt.

Allereerst speelt de wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht daarbij een rol. Op korte afstand en met dodelijke precisie heeft verdachte 5 kogels op het slachtoffer afgevuurd, waarvan een aantal de schedel is binnengedrongen.
Daarnaast kan niet onbesproken blijven dat op het moment van de aanslag op het slachtoffer, op klaarlichte dag op het mediaterrein te Hilversum, er in diens directe omgeving andere personen stonden. Verdachte heeft willens en wetens het risico aanvaard dat hij ook anderen (dodelijk) zou treffen en heeft dat, zoals kan worden afgeleid uit de beschadigingen die aan een tas van een van de directe omstanders zijn geconstateerd, ook gedaan.
Tenslotte heeft verdachte niet geschroomd de hem na de schietpartij achtervolgende [slachtoffer2] met een vuurwapen te bedreigen.

Weliswaar heeft naar het oordeel van de strafkamer de aanslag geen gevaar opgeleverd voor het voortbestaan van de democratie, de gebeurtenis heeft ontegenzeggelijk inbreuk gemaakt op een zo belangrijk democratisch proces als de verkiezingen van 15 mei 2002. Anders dan de officier van justitie meent heeft verdachte door zijn handelen het verkiezingsproces als zodanig niet onherstelbaar beschadigd. De moord op het slachtoffer heeft wel invloed op dat proces gehad, met name bij de verkiezingen van 15 mei 2002, maar de omvang en aard daarvan zijn in het kader van dit strafproces niet te bepalen. Evenmin is in dit proces vast te stellen of en zo ja welke de gevolgen voor de politieke partij "Lijst Pim Fortuijn" zijn geweest door de moord op haar politiek leider.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de strafrechter in casu bovendien rekening te houden met en kan hij niet voorbij gaan aan de gevoelens die bij een deel van de bevolking leefde ten tijde van de moord op het slachtoffer en aan de ongekend grote schok die de moord bij dat deel van de bevolking teweeg heeft gebracht.

De officier van justitie heeft in zijn requisitoir waar het gaat om de persoon, ten nadele van verdachte laten meewegen dat hij berekenend is geweest ook waar het gaat om zijn proceshouding. De officier van justitie noemt in dit verband dat verdachte ervoor heeft gekozen om eerst het totale onderzoek af te wachten, om daarna pas met een daarop afgestemde verklaring te komen. Zo kon verdachte -stelt de officier van justitie- erkennen wat erkend moest worden en zwijgen over wat aan vraagpunten nog open stond.
Dat verwijt wordt niet gedeeld door de rechtbank.

Zoals ook verwoord in verschillende uitspraken van het EHRM (o.a. NJ 1996, 725 ) en NJ 1997, 699 ) lijdt het geen twijfel dat het recht om niet te antwoorden op vragen van de verhorende ambtenaar en de rechter en de immuniteit tegen zelfbeschuldiging erkende internationale normen zijn (artikel 6 EVRM) die de essentialia vormen van een eerlijk proces. Deze beginselen, die in Nederland zijn vastgelegd in artikel 29 Sv, hebben daarmee vooral betrekking op het respecteren van de wil van de verdachte om te zwijgen. Op grond van dit in artikel 29 Sv verankerde zwijgrecht mag de verdachte niet alleen vrijelijk en naar eigen inzicht zijn proceshouding bepalen, maar staat het hem ook vrij om op verschillende momenten bij zijn verhoren zijn proceshouding te bepalen en dus bijvoorbeeld bij een verhoor op bepaalde vragen geen antwoord te geven. Niet uit het oog mag worden verloren -zo is dat ook in deze zaak gebeurd- dat tegenover de processtrategie van de verdachte de opsporende instanties bij het vergaren van bewijs gebruik maken van verschillende vervolgingsstrategieën en tactieken (verdachte is na 6 mei 2002 en vóór zijn bekennende verklaringen bij de RC in november 2002 een aantal malen uitgebreid gehoord en onder dwang zijn van verdachte materialen afgenomen, bijvoorbeeld DNA materiaal).
Duidelijk is dat aan de proceshouding van zwijgen of ontkenning voor een verdachte strafprocesrechtelijke risico's zijn verbonden (bijvoorbeeld artikel 341, lid 1, Sv of NJ 1985, 358). In dit geval evenwel is de wijze waarop verdachte zijn proceshouding heeft bepaald niet een omstandigheid die ten nadele van hem moet worden meegewogen.

Gelet op de persoonlijkheidsstructuur van verdachte zoals die uit het PBC onderzoek naar voren komt, kan niet objectief worden vastgesteld welke waarde moet worden gehecht aan uitingen van spijt of berouw van verdachte dan wel het ontbreken daarvan. De rechtbank zal dat aspect dan ook -anders dan de officier van justitie- niet betrekken bij de vaststelling van de strafmaat.

De rechtbank kent groot gewicht toe aan de vraag of de kans op herhaling aannemelijk is te achten. Verdachte is niet eerder voor een strafbaar feit veroordeeld. Vraag is echter of verdachte in de toekomst exclusief zijn overtuiging en geweten zal volgen of dat hij in de toekomst zijn rechtsplichten zal nakomen, ook al zou hij daardoor in strijd kunnen komen met zijn geweten. In de persoon van verdachte, zoals ook geanalyseerd door het PBC en ter terechtzitting van 31 maart 2003 door de psychiater bevestigd, noch in de feitelijke omstandigheden zoals die ter terechtzitting zijn gebleken, zijn aanwijzingen te vinden dat wanneer verdachte in de toekomst opnieuw in een soortgelijke, door van buitenkomende factoren bepaalde situatie zal komen te verkeren hij daarin opnieuw op starre wijze zijn geweten zal volgen. De rechtbank acht het dan ook niet aannemelijk dat verdachte zich opnieuw aan een soortgelijk strafbaar feit schuldig zal maken. Uiteindelijk is daarom naar het oordeel van de strafkamer de slotsom gerechtvaardigd dat de vrees voor herhaling niet van dien aard is dat daarin een reden moet zijn gelegen niet te volstaan met een tijdelijke gevangenisstraf, maar dat -zoals door de officier van justitie ook op deze grond gevorderd - een levenslange gevangenisstraf op zijn plaats zou zijn. Het feit dat van verdachte kan worden gezegd dat hij zich jarenlang heeft schuldig gemaakt aan handelen in strijd met de WWM, door het voorhanden hebben van een wapen met munitie, doet aan die conclusie niet af.

De (hoogte van de) op te leggen gevangenisstraf heeft ook het algemeen preventieve doel dat anderen in de toekomst daarom er van af zullen zien een vergelijkbaar misdrijf te begaan. De rechtbank deelt niet de opvatting van de officier van justitie dat dit doel in feite alleen kan worden bereikt door het opleggen van een levenslange gevangenisstraf.

In ons land wordt tot nu toe de grootst mogelijke terughoudendheid betracht bij het opleggen van een levenslange gevangenisstraf. De wetenschap dat het opleggen van deze straf ook daadwerkelijk betekent dat verdachte ook feitelijk levenslang in gevangenschap kan doorbrengen betekent dat vanuit overwegingen van humaniteit moet worden afgewogen of niet in beginsel perspectief moet worden geboden aan ook de pleger van een zo ernstig misdrijf als het onderhavige, dat hij op enig moment in de samenleving kan terugkeren. Uit de praktijk van de straftoemeting bij de meest ernstige misdrijven blijkt dat betekenis wordt toegekend aan dit beginsel.

Alles afwegend is het eindoordeel dat in dit geval het opleggen van een levenslange gevangenisstraf niet in overeenstemming is te brengen met de doelen die een strafoplegging heeft te dienen. Daarom zal aan verdachte een tijdelijke gevangenisstraf worden opgelegd. Voor wat betreft de duur daarvan is mede in aanmerking genomen de geschokte rechtsorde, de brute wijze waarop het slachtoffer is omgebracht, de inbreuk in het democratisch proces en de generaal preventieve werking die van deze straf dient uit te gaan.
De rechtbank acht op grond van al het bovenstaande een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

3)   25.00 STK Munitie Kl: koper
  S&B 9mm Luger RPGOOI-02032013-0004
  in doosje merk Sellier en Bellot

4) 18.00 STK Munitie Kl: koper
MRP 9mm Luger RPGOOI-02032013-0005
in doosje merk Sellier en Bellot

5) 2.00 STK Munitie Kl: koper
S&B 9mm Luger RPGOOI-02032013-0006
in doosje merk Sellier en Bellot

6) 1.00 STK Munitie Kl: koper
PMC 9mm Luger RPGOOI-02032013-0007
in doosje merk Sellier en Bellot

dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder 3 bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Ten aanzien van de benadeelde partijen

Familie [slachtoffer]

I.
In dit strafproces heeft zich gevoegd als benadeelde partij [benadeelde partij1], met betrekking tot de door hem ten gevolge van het aan verdachte onder 1 telastegelegde geleden schade en wel tot een bedrag van € 14.654,70 ten aanzien van de begrafeniskosten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij op grond van artikel 51a, lid 2, Sv jo artikel 6:108, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek (BW) als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 5500,-- ten aanzien van de begrafeniskosten. De vordering kan dan ook tot dat bedrag als voorschot op de uiteindelijk vast te stellen schade worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet zo eenvoudig van aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

II.
In dit strafproces heeft zich gevoegd als benadeelde partij [benadeelde partij2], met betrekking tot de door hem ten gevolge van het aan verdachte onder 1 telastegelegde geleden schade en wel tot een bedrag van € 14.654,70 ten aanzien van de begrafeniskosten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2] van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij op grond van artikel 51a, lid 2, Sv jo artikel 6:108, lid 2, BW als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van
€ 5500,-- ten aanzien van de begrafeniskosten. De vordering kan dan ook tot dat bedrag als voorschot op de uiteindelijk vast te stellen schade worden toege-we-zen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet zo eenvoudig van aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

III.
In dit strafproces heeft zich gevoegd als benadeelde partij [benadeelde partij3], met betrekking tot de door haar ten gevolge van het aan verdachte onder 1 telastegelegde geleden schade en wel tot een bedrag van € 14.654,70 ten aanzien van de begrafeniskosten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij3] van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij op grond van artikel 51a, lid 2, Sv jo artikel 6:108, lid 2, BW als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van
€ 5500,-- ten aanzien van de begrafeniskosten. De vordering kan dan ook tot dat bedrag als voorschot op de uiteindelijk vast te stellen schade worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet zo eenvoudig van aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

IV.
In dit strafproces heeft zich gevoegd als benadeelde partij [benadeelde partij4], met betrekking tot de door haar ten gevolge van het aan verdachte onder 1 telastegelegde geleden schade en wel tot een bedrag van € 14.654,70 ten aanzien van de begrafeniskosten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij4] van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij op grond van artikel 51a, lid 2, Sv jo artikel 6:108, lid 2, BW als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van
€ 5500,-- ten aanzien van de begrafeniskosten. De vordering kan dan ook tot dat bedrag als voorschot op de uiteindelijk vast te stellen schade worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet zo eenvoudig van aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Politieke vereniging Leefbaar Rotterdam

V.
In dit strafproces heeft zich gevoegd als benadeelde partij de politieke vereniging Leefbaar Rotterdam, met betrekking tot de door haar ten gevolge van het aan verdachte onder 1 telastegelegde geleden schade en wel tot een bedrag van € 34.326,35, te weten € 9.326,35 ten aanzien van de materiële schade en € 25.000,-- ten aanzien van de immateriële schade.

In verband met het beoordelen van de vordering is het navolgende van belang:

Artikel 51a Sv luidt:
1. Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.
2. Indien de in het eerste lid genoemde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek terzake van de daar bedoelde vorderingen.

Artikel 108 van boek 6 BW luidt:
1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud:
a. aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner en de minderjarige kinderen van de overledene, tot ten minste het bedrag van het hun krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud;
b. aan andere bloed- of aanverwanten van de overledene, mits deze reeds ten tijde van het overlijden geheel of ten dele in hun levensonderhoud voorzag of daartoe krachtens rechterlijke uitspraak verplicht was.
c. aan degenen die reeds vóór de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, met de overledene in gezinsverband samenwoonden en in wier levensonderhoud hij geheel of voor een deel voorzag, voor zover aannemelijk is dat een en ander zonder het overlijden zou zijn voortgezet en zij redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien;
d. aan degene die met de overledene in gezinsverband samenwoonde en in wiens levensonderhoud de overledene bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding, voor zover hij schade lijdt doordat na het overlijden op andere wijze in de gang van deze huishouding moet worden voorzien.
2. Bovendien is de aansprakelijke verplicht aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover ze in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.

In het strafproces kan degene die schade heeft geleden door een strafbaar feit slechts dan op grond van artikel 51a, lid 1, Sv in zijn vordering worden ontvangen indien sprake is van "rechtstreekse schade". De wetsgeschiedenis (kamerstukken II 1989-1990, 21345, nr. 3, blz. 11) houdt ten aanzien van dit artikellid onder meer het volgende in: "Van rechtstreekse schade is sprake als iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van rechtsopvolgers noch dat van derde belanghebbenden door de geschonden wetsbepaling". Ook artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) beoogt niet naast de evidente bescherming van burgers tegen het levensdelict moord tevens het belang, hoe groot ook, van nabestaanden en derde belanghebbenden te beschermen.

De politieke vereniging Leefbaar Rotterdam is derhalve niet degene die rechtstreeks schade in de zin van artikel 51a Sv heeft geleden door het onder 1 bewezen geachte feit. Voorts is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken dat de politieke vereniging Leefbaar Rotterdam erfgenaam is van [slachtoffer] en zij is evenmin te scharen onder één van de in artikel 6:108, lid 1 en lid 2, BW bedoelde personen.

De politieke vereniging Leefbaar Rotterdam kan derhalve niet worden aangemerkt als een (rechts-)persoon die bevoegd is tot het instellen van een vordering als benadeelde partij, zodat zij niet-ontvankelijk is in haar vordering ten deze en zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.


8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 57, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het onder 4 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Moord.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

3)   25.00 STK Munitie Kl: koper
  S&B 9mm Luger RPGOOI-02032013-0004
  in doosje merk Sellier en Bellot

4)  18.00 STK Munitie Kl: koper
MRP 9mm Luger RPGOOI-02032013-0005
in doosje merk Sellier en Bellot

5)  2.00 STK Munitie Kl: koper
S&B 9mm Luger RPGOOI-02032013-0006
in doosje merk Sellier en Bellot

6)  1.00 STK Munitie Kl: koper
PMC 9mm Luger RPGOOI-02032013-0007
in doosje merk Sellier en Bellot

I.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1], [adres] toe tot een bedrag van € 5500,-- (vijfduizendenvijfhonderd euro).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij1] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

II.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2], [adres] toe tot een bedrag van € 5500,-- (vijfduizendenvijfhonderd euro).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij2] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

III.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij3], [adres] toe tot een bedrag van € 5500,-- (vijfduizendenvijfhonderd euro).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij3] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

IV.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij4], [adres] toe tot een bedrag van € 5500,-- (vijfduizendenvijfhonderd euro).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij4] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

V.
Bepaalt dat de benadeelde partij de politieke vereniging Leefbaar Rotterdam niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1) 1.00 STK Personenauto [kenteken]
Toyota Starlet Kl: rood
RPGOOI-02032013-0079

116)  1.00 FLS Fles
  glazen garage F
  voorzien van label zwavelzuur 94-96%, in kart. doos

117) 2.00 FLS Fles
glazen garage F
met inhoud voorzien van label zwavelzuur 50%

118) 1.00 FLS Fles
glazen garage F
met inhoud met label zoutzuur 37%

119) 1.00 STK Niet te definiëren goederen
Calvé pindakaas glazen pot garage F
met daarin condooms gevuld met witte substantie

120) 1.00 FLS Fles
glazen garage F
met inhoud voorzien van label tolueen

121) 1.00 STK Niet te definiëren goederen
garage F
kunststof voorraadbus met zg. "Time Power Unit"

122) 1.00 STK Tas
Doeland plastic garage F
met daarin plakken lood

123) 2.00 STK Container Kl:wit
kunststof garage F
met rode schroefdop, daarin witte korrelachtige substantie

124) 1.00 STK Container Kl:wit
grotere garage F
met schroefdop met witte substantie, kaliumchlorid
  
125) 1.00 STK Niet te definiëren goederen
garage F
glazen pot, daarin zwarte substantie, 60% gevuld

126) 1.00 STK Niet te definiëren goederen
garage F
met klemdeksel met zwarte substantie

127) 1.00 STK Niet te definiëren goederen
kunststof garage F
voorraadbus inh. witte substantie (condensvorm. bin.)

128) 1.00 STK Glas
garage F
laboratorium glaswerk (maatbekers/kolven)

129) 1.00 STK Niet te definiëren goederen
garage F
glazen pot, inh. capsules met rubberen dop en kop.


Dit vonnis is gewezen door
mr. F.G. Bauduin,   voorzitter,
mrs. T.J.M. Gijsberts en A.J.R.M. Vermolen,   rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.M. van den Hout-Wilbers,   griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 april 2003. 

De Telegraaf, 03-07-2003

Column Rob Hoogland

Nu blijkt ons aller Volkert misschien wel aan het syndroom van Asperger te lijden. Ik moet toegeven dat ik er nog nooit van had gehoord, al lijd ik zelf aan een kwaal met vrijwel dezelfde naam, namelijk het syndroom van Asperges. De verschijnselen: moordneigingen bij het besef dat de aspergetijd voorbij is.

Hoe ontroerend toch dat de rechter in het hoger beroep tegen de moordenaar van Pim Fortuyn niets, maar dan ook echt niets over het hoofd wil zien. Neem dat syndroom. Twee psychiaters opperden in een krantenartikel dat hij eraan lijdt. Nog nooit hadden zij Van der G. ontmoet en evenmin hadden zij het gedragskundige rapport bestudeerd dat na wekenlange observatie in het Pieter Baan Centrum was opgesteld. Zelf zou ik dan enige terughoudendheid betrachten.

Zo niet deze zielenknijpers, die likkebaardend de schijnwerpers der publiciteit opzochten en vervolgens glashard een diagnose stelden. Het zullen je dokters maar wezen. Zowel het OM als Volkerts advocatenteam had dan ook geen behoefte aan een verhoor met het duo, maar het Amsterdamse hof roept hen vandaag toch op.

Zou zo´n rechter mij eveneens als een deskundige beschouwen? Het kan bijna niet anders, want in tegenstelling tot die twee publiciteitsgeile psychiaters sta ik elke dag in de krant. Baas boven baas, hè?

Ik verzoek de rechter dan ook om mij vandaag eveneens op te roepen zodat ik in de getuigenbank kan verklaren wat ik hierbij op het kennelijk almachtige krantenpapier doe, namelijk dat Volkert van der G. mijns inziens niet aan het syndroom van Asperger lijdt.

Ja, u leest het goed, edelachtbare: Volkert van der G. is naar het oordeel van de gedragsdeskundige Rob Hoogland gewoon een haatdragende hufter die het zelfs meer dan een jaar na zijn daad nog niet over zijn lippen kan krijgen dat hij spijt heeft. En die hoofdzakelijk omdat hij nu "een flinke douw" krijgt, zoals hij het dinsdag zelf zei, herhaling uitsluit: "Een volgende keer zou ik denken, ik heb mijn portie wel gehad."

Met andere woorden: als hij die flinke douw niet zou krijgen - wat wellicht gebeurd zou zijn als Hans Smolders er niet voor had gezorgd dat hij werd opgepakt - dan zou hij dat een volgende keer niet denken en dientengevolge op zo´n moment opnieuw iemand zonder enig probleem uit de weg ruimen. Mij lijkt daarom maar één straf mogelijk: zo´n flinke douw dat er niet eens meer een volgende keer kan komen.

Rob Hoogland in De Telegraaf, 3 juli 2003

Pim Fortuyn REQUISITOIR van de officier van justitie te Amsterdam in de strafzaak tegen (parketnr.13/123078-02)Volkert VAN DER G.
 

REQUISITOIR

 

van de officier van justitie te Amsterdam in de strafzaak tegen

(parketnr.13/123078-02)

Volkert VAN DER G.,

geboren op 09 juli 1969 te Middelburg,

wonende te Harderwijk,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Demersluis te Amsterdam,

ter terechtzitting van 1 april 2003.

President, Edelachtbaar College,

Inleiding

Waarom had Volkert bij zijn aanhouding een bivakmuts op zak? Waarom had hij zich die ochtend niet geschoren, hoewel hij het zó belangrijk vond om bij de uitvoering van zijn moordplan qua kleding en oorringen niet op te vallen, en terwijl hij een stoppelbaard juist wel te opvallend vond (r-c blz.16 en 18)?

Waarom vertelde Volkert aan de politie dat een latex handschoen helemaal stuk gaat als je daarmee in de bosjes tussen takken en wortels graaft (VERD/47), terwijl zijn handschoenen níet stuk waren (verklaring zitting 27-3-03), maar slechts het linker pinktopje miste?

Waarom kan hij zich niet herinneren hoe hij zich zijn laatste avond, nacht en ochtend thuis heeft gevoeld (verklaring zitting 27-03-03)?

En waarom heeft de verdachte zich voor zijn motief beroepen op zijn politieke betrokkenheid en bezorgdheid voor kwetsbare groepen in het algemeen?

Vragen. Naast talloze antwoorden, die er gelukkig ook zijn; antwoorden die voor de vragen naar bewijs, strafbaarheid, schuld, en straftoemeting van groot belang zijn. Daarvoor lijken misschien sommige overgebleven vragen, wat minder essentieel. Toch zal in de loop van mijn betoog duidelijk worden dat, bij de vele heldere antwoorden die ons onderzoek heeft opgeleverd, een aantal vragen is blijven openstaan, waarvan de antwoorden van betekenis zijn. Sommige, zoals die over zijn motief, voor de strafmaat. Alle andere in elk geval ook voor de geschiedschrijving. Ik weet, het strafproces is daar niet in de eerste plaats voor bedoeld. maar deze zitting is wel dé gelegenheid bij uitstek om alle vragen over de verdachte, zijn drijfveren en zijn handelingen met betrekking tot deze moord - die enig in zijn soort is en waarover dus nog lang zal worden geschreven - zo veel mogelijk op tafel te leggen en te beantwoorden. De samenleving die als geheel bijzonder geschokt is geweest, heeft daar recht op en belang bij. In al mijn kritische vragen aan de verdachte ben ik bezig geweest met mijn taak: waarheidsvinding.

Vanaf 6 mei 2002 heeft een groot team vanuit verschillende politiekorpsen diepgaand onderzoek gedaan naar de moord op de politicus Pim Fortuyn. Met sterk gevoel voor de vele vragen vanuit de samenleving, en vanzelfsprekend uiterst gemotiveerd, is met grote precisie gespeurd naar het antwoord op de volgende vragen:

is deze verdachte de dader, en de énige dader?

wie is hij eigenlijk precies?

vanuit welk motief of welke context heeft hij de moord beraamd?

zijn wellicht anderen betrokken geweest bij zijn plan, of daarvan op de hoogte geweest?

De belangrijkste antwoorden zijn gevonden; ik ga daar uiteraard dieper op in. Maar het is natuurlijk onontkoombaar dat niet àlles met 100% zekerheid kan worden beantwoord. Strafrechtelijk onderzoek is in het algemeen niet geschikt om in absolute zin zekerheden op álle vragen te krijgen. Sommige antwoorden liggen uitsluitend in het hoofd van een verdachte. Zelfs in dít feitenonderzoek zitten een paar kleine onzekerheden (zoals de nacht van 5 op 6 mei 2002, en de werkelijke drijfveren van verdachte). Maar ik zeg er meteen bij: die onzekerheden zijn voor uw uiteindelijke beoordeling over bewijs en schuld niet van belang.

Voor mij is na dit onderzoek één vraag blijven leven: heeft Volkert in zijn verklaringen bij de rechter-commissaris, en later de politie en uw rechtbank, volledig de waarheid verteld over de toedracht van de moord en zijn motief?

Als aannemelijk zou worden dat hij over - misschien kleine - onderdelen van zijn verhaal onwaarheid heeft gesproken, en ook waarom hij dat heeft gedaan, zegt dat wel iets over zijn persoon, en is dat in zoverre van belang voor uw eindoordeel. En, ik zei het al, het is ook van belang voor de wijze waarop hierna nog over de toedracht en achtergronden van deze moord zal worden geschreven.

Ik zal in mijn requisitoir in het bijzonder aandacht besteden aan de volgende onderwerpen:

hoe is in dit opsporingsonderzoek antwoord gevonden op de vragen die werden gesteld?

wat is, voor zover hier van belang, vóór en op 6 mei 2002 exact gebeurd?

het bewijs van de tenlastegelegde feiten

wie is de verdachte Volkert van der G. precies?

wat was de invloed van de enorme publiciteit en het commentaar van buitenstaanders?

hoe moeten de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder ze zijn begaan, en de persoon van de verdachte, worden vertaald in een passende strafmaat?

A. Het onderzoek naar de feiten

het team en de opdracht

Onmiddellijk na de aanslag was duidelijk dat deze moord buitengewoon ernstig was en diep in de samenleving zou ingrijpen. Door de leiding van mijn parket en die van de regiopolitie Gooi & Vechtstreek werd besloten tot de vorming van een omvangrijk opsporingsteam uit verschillende regio's. Glashelder was meteen dat het onderzoek diepgaand en volledig moest zijn, en uiterst zorgvuldig moest plaatsvinden.

Op de avond van de moord stond al vast dat er in ieder geval één zeer duidelijke verdachte was: de Harderwijker Volkert van der G. Hij was vanaf het moment van neerschieten op heterdaad en onophoudelijk gevolgd door de chauffeur van het slachtoffer, de getuige Smolders. De verdachte kon binnen nog geen tien minuten worden aangehouden, had een pistool op zak, handschoenen aan en kruitsporen op zijn handen.

De eerste en belangrijkste opdracht was vanzelfsprekend om met zekerheid aan te tonen dat deze verdachte ook werkelijk de dader was. Uitgesloten moest worden dat hij, hoe onwaarschijnlijk het ook kon klinken, zou kunnen zeggen dat niet hij maar een onbekende persoon Fortuyn moest hebben neergeschoten en op de vlucht het wapen in zijn handen had geduwd. Vooral forensisch-technisch onderzoek zou hierbij van grote betekenis kunnen zijn; vandaar dat de hulp van diverse disciplines van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is ingeroepen.

Al heel snel was duidelijk dat Van der G. een zeer uitgesproken milieuachtergrond had; daarmee kwam de vraag naar het motief om Fortuyn te vermoorden meer dan levensgroot op ons af. En daarom kon het niet anders of het onderzoek zou zich in de tweede plaats moeten uitstrekken tot de vraag: had de verdachte gehandeld vanuit deze achtergrond? Of - en de verschillende theorieën waren in de media al snel geboren - was hij slechts een uitvoerder voor anderen? Had hij misschien uit persoonlijke rancune gehandeld?

En had hij in de voorbereiding van zijn daad wellicht één of meer anderen, mogelijk geestverwanten, betrokken? Het zóu kunnen zijn geweest dat iemand anders op strafbare wijze betrokken was geweest bij de planning, de voorbereiding of de uitvoering. Maar ook was denkbaar dat een ander 'slechts' kennis had van zijn voornemen, zonder strafrechtelijk aansprakelijk te zijn. Allemaal vragen die bij de enorme commotie na de moord niet uit de weg gegaan konden worden, en daarom nadrukkelijk in het onderzoek zijn betrokken. De leidende gedachte was: na dit onderzoek zouden er in redelijkheid geen vragen meer op de hier genoemde punten mogen open staan.

Niet het hele politieteam 'Onderzoek Moord Fortuyn' kon op één locatie werken. De taken werden als vanzelf gesplitst: het onderzoek naar de feitelijke betrokkenheid van Volkert van der G. werd verricht door opsporingsambtenaren op het politiebureau in Hilversum, en het 'omgevingsonderzoek' rond de verdachte werd verricht door recher-cheurs die hun tijdelijk onderkomen bij het KLPD in Driebergen hadden. Vanzelfsprekend lag de justitiële leiding van beide deelonderzoeken in één hand.

het onderzoek en de antwoorden

Uit het onderzoeksdossier blijkt dat er breed en diepgaand onderzoek is verricht:

Er is technisch onderzoek verricht naar vingerafdrukken, vezels, haren, DNA, schotrestsporen, handschriften en stuifmeelpollen.

Er is diepgaand onderzoek verricht in de bestanden van de computers van Volkert thuis en op zijn werk, alsmede die van zijn vriendin Petra, en die van het slachtoffer.

Ook overigens zijn nagenoeg alle voorwerpen en papieren die bij de verdachte zijn gevonden en in beslag zijn genomen, op hun herkomst en relevantie onderzocht.

Bij verdachte thuis is meerdere keren gezocht naar aanknopingspunten voor verder onderzoek. Dit is vrij uitzonderlijk, maar werd telkens gerechtvaardigd door nieuwe onderzoeksinformatie.

Veel personen uit de vroegere, meer recente en huidige omgeving van de verdachte zijn als getuigen gehoord, over wie hij is, zijn vroegere en huidige drijfveren en zijn recente gedrag.

Binnen de grenzen van wat mogelijk was, is onderzocht of bij de ontwikkeling van zijn plan of bij de aanloop naar 6 mei enigerlei betrokkenheid kon worden vastgesteld van iemand uit verdachtes omgeving, waarbij uiteraard is gedacht aan zijn milieuachtergrond. (Ik merk niet voor niets op: binnen de grenzen van wat mogelijk is. Om bijzondere opsporingsbevoegdheden te gebruiken tegen personen die geen verdachte zijn, moet altijd voldaan zijn aan wettelijke vereisten, en is in een aantal gevallen rechterlijke toetsing vooraf nodig. Er kan heel veel in Nederland, maar er zijn terecht grenzen.) De resultaten zijn verantwoord in een proces-verbaal van opsporingsmethoden.

Van de verdachte en van verschillende personen in zijn naaste omgeving zijn telefoongesprekken afgeluisterd en opgenomen, en enkele van die personen zijn gedurende enige tijd geobserveerd geweest. Conform de Aanwijzing van het College van Procureurs-generaal zijn alle gesprekken met advocaten vernietigd en gewist.

Er is historisch onderzoek verricht naar het belgedrag van telefoons van een aantal personen uit de omgeving van de verdachte, en naar de vraag of via een aantal GSM-basisstations in Hilversum relevante belcontacten waren te ontdekken.

Onderzocht is of verdachte in het verleden schietinstructie heeft gekregen. Hoewel hij vanaf zeer korte afstand heeft geschoten, en naar eigen zeggen daarmee niet had kunnen missen, was het relevant om te weten of hij ooit geoefend had.

Er is onderzoek gedaan naar Volkerts financiële huishouding, teruggaand tot 1991.

Zijn privé correspondentie van de afgelopen jaren, tot aan die in het Huis van Bewaring toe, is in beslag genomen en onderzocht.

Er is aan omringende landen rechtshulp gevraagd bij het onderzoek naar de herkomst en de historische route van het pistool, en naar de eigenaar van DNA-materiaal dat op de patroonhouder was aangetroffen.

Er is onderzoek verricht naar enkele personen die als verdachte konden worden aangemerkt: Volkerts vriendin (i.v.m. de aangetroffen chemicaliën) en twee mannen van wie achtereenvolgens kon worden vermoed dat zij betrokken waren geweest bij de levering van het pistool. Hun zaken zijn geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Er is verregaand onderzoek verricht naar de identiteit van de NN-persoon wiens DNA op de patroonhouder was gevonden.

Naar aanleiding een TV-programma van Peter R. de Vries, waarin hij aangaf te beschikken over stapels relevante e-mails, is hem expliciet gevraagd alles wat voor het onderzoek van belang zou kúnnen zijn, aan het onderzoeksteam af te staan. Dit heeft overigens tot niets geleid. Hetzelfde kan worden gezegd van berichten als zou programmamaker Harry Mens over vele belangwekkende e-mails beschikken.

Tenslotte, het onderzoeksteam heeft een enkele maal ad hoc onderzoek verricht naar aanleiding van meldingen van de Commissie-Van den Haak, die beschikte over berichten van bedreigingen aan het adres van Fortuyn. Ook is af en toe ad hoc gereageerd op geruchten in de media over de verdachte en over mogelijke verbanden.

Wat kan uit al het verrichte onderzoek worden geconcludeerd? Veel onderzoek was gericht op de vraag of iets aangetoond kon worden (in de sfeer van verbanden, theorieën of motieven). Ik moet opmerken dat, als iets met de strafrechtelijke middelen die ik heb ingezet níet kon worden aangetoond, dat nog niet zonder meer betekent dat het ook niet kán bestaan. Maar ik kan wel stellen dat de kans daarop bijzonder klein is. Wie met enige nuchterheid het totaal aan onderzoeksresultaten bekijkt, moet tot die conclusie komen.

Uit de onderzoeken die verricht zijn kan het volgende worden vastgesteld:

In geen enkele verklaring, in geen enkel document, is enige steun te vinden voor de gedachte dat Volkert en het slachtoffer elkaar persoonlijk hebben gekend, en dat het motief voor de moord in de privé-sfeer kan hebben gelegen.

Er is geen enkele aanleiding om te vermoeden dat Volkert door wie dan ook voor de moord zou worden of zijn betaald. Nergens zijn aanwijzingen gevonden voor aanzienlijke inkomsten, verschuivingen of bestedingen.

Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat verdachte schietlessen heeft gevolgd. Naar mijn overtuiging was het voor de wijze van neerschieten van Fortuyn niet nodig om geoefend schutter te zijn. Maar gezien verdachtes belangstelling voor vuurwapens was de gedachte aan schietinstructie wel redelijk. Maar de verklaringen van twee schietinstructeurs die zeggen 'rond 1995' respectievelijk 'eind 1998' instructie aan Volkert te hebben gegeven zijn onvoldoende betrouwbaar om instructie aan te nemen: de één zegt verdachte eind 1998 'maar enkele minuten' te hebben gezien zonder hem gesproken te hebben, de ander zou hem zo'n 8 à 9 jaar geleden gedurende maximaal 3 kwartier hebben gezien. Beiden zijn niet overtuigend in hun herkenning zo vele jaren later.

De reden voor de aanschaf van het vuurwapen in 1996/1997 kan niet anders worden gezien, dan om zichzelf veiliger te voelen in zijn werk. Niemand anders dan een kennis die had bemiddeld wist ervan.

Er is niets gevonden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat achter Volkert iemand anders schuil gaat, die belang had bij de moord op Fortuyn en die Van der G. daarvoor heeft gebruikt. Eén opmerking over Al Qaeda was op niets gebaseerd, en dat Volkert tot een zeer gevaarlijk groepje behoorde was een zichzelf opblazend bericht uit kringen van landbouwers op de Veluwe, die veel last hadden van Volkerts Vereniging Milieu Offensief.

Evenmin is gebleken dat Van der G. bij de vorming van zijn voornemen, bij de voorbereidingen en/of bij de uitvoering van de aanslag heeft samengewerkt met wie dan ook. Zo zijn alleen uit zíjn pistool kogeldelen gevonden. In Bennekom bij het boodschappen doen, en vooraf bij de studio in Hilversum zijn geen personen gesignaleerd, althans, niemand verklaart daarover. Niemand heeft hem bij zijn vlucht hulp geboden. Afgaand op de bevindingen van de technische recher-che die zijn auto heeft doorzocht, is hij zeer vermoedelijk de enige inzittende geweest van de Toyota waarmee hij was gekomen. De plattegrond en nadere informatie over het interview van Fortuyn op 6 mei zijn opgevraagd op zijn eigen computer. De munitie voor het wapen was op de zolder van zijn eigen woonadres voorhanden.

Tenslotte kan worden vastgesteld dat de berichten over zogenaamd belangrijke e-mails die bij media in het land zouden zijn binnengekomen, zwaar overtrokken waren. Ze hebben voor het onderzoek niets van enig belang opgeleverd. Wellicht waren deze berichten vooral bedoeld geweest om aandacht te trekken in de hectische tijd na 6 mei 2002. Hooguit ging het om berichten van verontruste burgers die er het hunne van dachten of achter meenden te kunnen zien, en die hun vertrouwen stelden in TV-programmamakers.

argumenten voor en tegen enige twijfel

De enige vraag die na ¾ jaar onderzoek nog kan blijven hangen is: maar was er dan helemaal níemand op de hoogte van wat Volkert in zijn eentje wilde gaan doen? Het laat zich immers moeilijk denken dat hij alles volledig in zichzelf heeft uitgedacht en voorbereid, zonder zijn vriendin of een ander in zijn naaste omgeving hierover ook maar iets te vertellen.

Ik stel overigens voorop dat het toch bepaald niet ondenkbaar is dat iemand geheel op zichzelf een moord van dit kaliber beraamt, zonder dit voornemen zelfs met zijn partner te delen. In de beruchte strafzaak tegen Ferdi E., ontvoerder en moordenaar van Gerrit Jan Heijn, bleek de dader zijn plan ook helemaal in zijn eentje te hebben uitgebroed, en voor zijn meest naaste omgeving lange tijd, ook ná de ontvoering en de moord, verborgen te hebben kunnen houden. Sommige mensen kunnen dat kennelijk. Maar misschien mag ik wel zeggen: het is niet normaal.

Bij het onderzoek naar de vraag of iemand op z'n minst op de hoogte was van de gedachte van Volkert om Fortuyn om het leven te gaan brengen, komen we op een terrein waar het strafrecht verder weinig tot niets kan, en waar hooguit de moraal en het geweten gelden. Stel dat iemand geweten heeft dat Volkert met gedachten over moord rondliep. En stel dat die persoon met die kennis verder helemaal niets heeft gedaan, dan is dat moreel verwerpelijk. Dan heeft die persoon een gewetensprobleem. Maar hij of zij is dan niet (zonder meer) strafbaar.

Het strafrechtelijk onderzoek is er wel mede op gericht geweest om hier zicht op te krijgen. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat in geen enkel afgeluisterd telefoongesprek, in geen enkele brief tijdens detentie, en in geen enkele verklaring van wie dan ook, steun gevonden kan worden voor de - op zichzelf voor de hand liggende - gedachte dat Volkert op zijn minst aan iemand verteld moet hebben wat hij van plan was te gaan doen.

In de briefwisseling tussen Volkert en zijn vriendin zijn aanwijzingen te lezen dat zij niet van zijn plan en beweegreden op de hoogte is geweest, en het waarom niet kan bevatten.

De enige redenen die er wellicht zijn om te veronderstellen dat Volkert zijn plan tòch met iemand anders kan hebben gedeeld, zijn de volgende:

Al in het begin van de briefwisseling en ook uit de telefoongesprekken blijkt dat verdachte en zijn vriendin zich heel goed bewust waren dat anderen meelazen en meeluisterden. Volkerts moeder heeft verklaard dat ze allemaal in het begin bij de advocaat van Volkert op kantoor zijn geweest, en zijn geïnstrueerd dat de telefoons konden worden afgeluisterd, en dat zij tijdens bezoek niet over de zaak moesten spreken (GET/109). Het weinige dat Volkert en zijn vriendin schrijven en zeggen over de inhoud van de zaak hoeft dus bepaald niet de waarheid te zijn. Of zoals Volkert zelf schreef in zijn brief van 21 juli 2002: "… mocht ik ooit nog eens een verklaring afgeven aan de rechterlijke macht of in de media dan hoeft dat natuurlijk niet noodzakelijkerwijs de waarheid te zijn. Voor de buitenwereld is de waarheid niet belangrijk - het hoeft slechts funktioneel te zijn."

Uit de verklaringen van de verdachte bij de rechter-commissaris en de politie blijkt dat hij op geen enkele manier anderen bij de zaak wil betrekken; consequent heeft hij de leveranciers van het wapen en van de munitie (r-c blz.13 en 26), degenen die portofoons hebben geleend (VERD/69), degene van wie hij tekeningen van pelsdierfokkerijen had gekregen (VERD/62), en zijn eigen vriendin buiten de zaak willen laten.

Verdachte heeft een half jaar gezwegen, tegen een groeiende berg bewijsmiddelen op. Ondanks dat hij uit overtuiging had gehandeld, en een 'statement' kort na zijn aanhouding in de lijn der verwachtingen had gelegen, wilde hij eerst precies weten wat er allemaal aan onderzoeksmateriaal lag. Zo kon hij eerst zien of alleen tegen hèm aanwijzingen en verdenkingen bestonden, en kon hij later dienovereenkomstig verklaringen afleggen.

Het zijn signalen dat de verdachte voortdurend berekenend is, en mogelijk nog iets te verbergen heeft. Ik wil niet speculeren over de vraag wie hij mogelijk uit de wind wil houden; verdachtmakingen naar anderen behoren niet op deze plaats te worden gedaan, en voor déze strafzaak is het niet van belang.

Ik kom later op dit punt terug bij de vraag of Volkert over zijn voorbereidingen helemaal naar waarheid heeft verklaard. Voorlopig moet ik erbij blijven dat bewijs ontbreekt voor strafbare betrokkenheid van wie dan ook, en dat er ook geen duidelijke aanwijzingen zijn dat iemand van zijn plan heeft geweten. Resterende vragen op dit laatste punt kunnen slechts beantwoord worden vanuit het hoofd van de verdachte zelf.

B. De relevante gebeurtenissen vóór en op 6 mei 2002

De feiten zijn uitvoerig door uw rechtbank doorgenomen. Ik wil er een aantal opmerkelijke aspecten uitlichten.

de aanschaf van een pistool en munitie

Waar ligt het begin? Ik ga terug naar het moment waarop Volkert het pistool kocht. Eind jaren '90, zegt hij aanvankelijk (r-c blz.13). Later preciseert hij het tot eind 1996, begin 1997 (r-c blz.15 en VERD/37), nadat hij is geconfronteerd met de verklaring van een toenmalige kennis Ferdinand G. Volgens deze kennis gaf Volkert aan dat hij bedreigd werd door boeren, en daarom een pistool wilde hebben voor zijn eigen bescherming.

Volkert was al jaren geïnteresseerd in vuurwapens, gezien de krantenknipsels uit begin jaren '90 in zijn koffer op zolder (r-c blz.15). Bij de politie zegt Volkert ook dat hij eerder wel eens had nagedacht over het aanschaffen van een vuurwapen, want bedreigingen waren er al vanaf het begin dat de VMO bestond (VERD/37). Hij had door het lezen van knipsels ook wel enig verstand van vuurwapens (VERD/38).

De zojuist bedoelde kennis heeft Volkert in contact gebracht met een Turks café in Ede, waar Volkert een pistool kocht voor Hfl. 2.000,= (verklaring G., bijlage bij brief aan rechtbank van 14 maart 2003). Volgens verdachtes eigen verklaring kostte het wapen hem Hfl. 3.000,=. Op het bedrag na stemmen de verklaring van deze kennis en die van Volkert vrij nauw overeen.

Hij had een nieuw wapen willen hebben; hij was wel zo slim om te beseffen dat een gebruikt wapen sporen kon hebben nagelaten bij een eerder misdrijf (VERD/38). Hij liet zich echter toch een tweedehands wapen verkopen.

Later kocht Volkert passende munitie bij een onbekende in Den Haag, aldus nog steeds deze kennis. Bij de rechter-commissaris verklaarde Volkert aanvankelijk nog, in strijd met de waarheid, dat hij de 2 doosjes munitie mèt het wapen in het café had gekocht (r-c blz.13). Toen ik hem later confronteerde met de verklaring van G. erkende hij dat hij de 2 volle doosjes munitie apart had gekocht in Den Haag (r-c blz.26). Het is opmerkelijk dat Van der G. in zijn verklaringen af en toe níet open was en naar waarheid sprak; ik kom daar op terug.

Naar eigen zeggen heeft hij eind jaren '90 eenmaal met het wapen geschoten, ergens in de omgeving van Wageningen. Gewoon, om het te proberen (r-c blz.13). Later heeft hij verder uitgevonden hoe het wapen werkte, en heeft hij het wapen ook wel doorgeladen.

Er is geen aanwijzing dat Volkert het wapen destijds heeft aangeschaft om er iemand mee te doden. Al is het natuurlijk ernstig genoeg dat hij het al die jaren voorhanden had, en er kennelijk aan dacht toen hij het plan opvatte om Fortuyn te vermoorden.

Hij heeft het wapen met de munitie thuis bewaard in een koffer. Op foto's is duidelijk te zien dat de koffer handmatig is voorzien van twee oogschroeven en een hangslot (AH/399); kennelijk was de inhoud van die koffer niet voor andere ogen bedoeld.

het ontstaan van het idee; zoeken op internet

Dit begon voor Volkert met de gedachte 'dat Fortuyn gestopt moest worden' (r-c blz.4). Hij haatte hem niet, maar vond hem een gevaar voor de democratische rechtsstaat (blz.4 en 6). Hij heeft Fortuyn in alle media gevolgd en het totaalbeeld bracht hem op de gedachte Fortuyn om te brengen (blz.5). Tot dit totaalbeeld behoren 'de combinatie van de persoon, zijn ideeën, de manier waarop hij de ideeën naar voren bracht en de macht die hij zou krijgen' (blz.8).

De start van Volkerts voorbereidingen ligt op het internet. Op 9 verschillende dagen, gedurende zo'n 13 uur in totaal, heeft hij gesurft en gezocht naar trefwoorden rond de naam, de woonplaats en het dagprogramma van het slachtoffer (AH/357).

Vastgesteld is dat op de computer bij Volkert thuis op 22 maart 2002 voor het eerst is gezocht op de naam van het slachtoffer, en wel op de site 'pim-fortuyn.nl'. Op 24 maart is vermoedelijk gezocht op een adres van Fortuyn in Rotterdam, met zoekvragen als 'burgerplein + rotterdam + fortuyn'.

Daarna is op 21 april 2002 verder gezocht op trefwoorden als 'fortuyn + agenda' en 'fortuyn + profiel + prive'. Op 28, 29 en 30 april is wederom gezocht, o.a. naar 'ontbijt + tv', kennelijk om het programma van optredens van Fortuyn te vinden. Op die 30e april heeft hij een print gemaakt van de mededeling dat Fortuyn op 8 mei 2002 te gast zou zijn in KRO's Ontbijt-TV. Op 4 mei heeft verdachte nog gezocht op de website 'omroep.nl'.

Verdachte was in het bezit van een GSM. Deze werd na de moord uitgeschakeld aangetroffen in de kofferbak van zijn auto (relaas-pv blz.27). Uit onderzoek is gebleken dat deze GSM op 3 mei 2002 voor het laatst contact heeft gemaakt (relaas-pv blz.35).

Op zondag 5 mei 2002 heeft verdachte 's avonds vanaf 19.59 uur zo'n twee uur lang (!) op diverse websites gespeurd op trefwoorden als 'fortuyn + 6mei', en '3fm + studio + sumatralaan' (AH/355-357). Om 21.11 uur heeft hij gezocht naar een plattegrond van het Mediapark. Om 21.50 uur heeft hij meer gedetailleerd gezocht naar beelden van het 3FM-gebouw (AH/33).

waarom het Mediapark?

Puur toeval, aldus verdachte zelf; "Ik had geen speciale reden om de aanslag op het Mediapark te plegen. Het ging mij uitsluitend om de gelegenheid om te doen wat ik wilde doen" (r-c blz.11). "De plek en tijd voor deze aanslag waren voor mij niet zo relevant. Ik heb op de computer naar een gelegenheid voor de aanslag gezocht. Toen kwamen verschillende mogelijkheden naar boven" (r-c blz.12). Dat Volkert ook plattegronden van de woonomgeving van twee andere LPF-ers bij zich had, mag volgens hem niet worden uitgelegd als bedreigend jegens hen. Net als de plattegrond van het Kurhaus had het volgens hem alleen maar betrekking op mogelijke plaatsen waar Fortuyn zou komen of zelfs overnachten (r-c blz.11).

Volkert zocht naar een plaats waarvan hij zeker wist dat hij Fortuyn daar zou treffen. Het was geen optie om Fortuyn op te wachten bij zijn woning in Rotterdam, omdat Volkert ook nog een thuis en zijn werk had (r-c blz.12). Kennelijk moest het allemaal totaal niet opvallen wat hij in zijn schild voerde. Het Mediapark was de eerste kans die zich voordeed.

Steun voor de gedachte dat het Mediapark vrij toevallig is gekozen, ligt in het feit dat in verdachtes auto ook het printje lag met de informatie dat Fortuyn op 8 mei 2002 te gast zou zijn bij KRO's Ontbijt-TV (AH/183).

een grondige voorbereiding

Volkert heeft zich terdege op 6 mei voorbereid. Uit wat in zijn auto en op zijn lichaam werd aangetroffen na zijn aanhouding kan dat zonder meer blijken:

hij had al enige tijd eerder een baseball petje gekocht bij de V&D, als kledingstuk om minder herkenbaar te zijn als hij zijn voornemen zou gaan uitvoeren (verdachte ter zitting 27-03-03);

hij had de vorige avond plattegronden van het Mediapark en de omgeving, en van enkele mogelijke slaapadressen van Fortuyn, uitgeprint en meegenomen;

hij wist, blijkens aantekeningen op enkele stukken, precies waar en wanneer Fortuyn op 6 mei in de middag zou optreden;

hij had zijn wapen, de patronen, en een bivakmuts uit de beige koffer op zolder gepakt en in zijn rugzak gedaan (verdachte ter zitting 27-03-03);

hij had alles gedaan om onopvallend te zijn: baard geschoren met nog speciaal daartoe gekocht scheergerei, onopvallende kleding, een zonnebril en pet op, oorringen uit (r-c blz.17);

om geen sporen op het wapen na te laten droeg hij latex handschoenen (r-c blz.14);

het wapen verborg hij, ook tijdens het schieten, in een plastic tas om niet op te vallen (r-c blz.14 en 19, VERD/49);

in zijn auto had hij wasbenzine om vóór de aanslag vingerafdrukken te verwijderen van gladde dingen die hij had meegenomen, zoals de plastic tas en het wapen (r-c blz.18); bij de politie verklaart hij ook dat hij op 6 mei het wapen nog heeft schoongemaakt (VERD/39);

hoewel hij tot het moment dat hij op Fortuyn afliep niet zeker wist dat het zou gaan gebeuren, heeft hij ook verklaard dat hij tevoren wel wist dat hij op de vitale delen van Fortuyn zou schieten, dus op zijn bovenlichaam en hoofd, en dat hij zou schieten op het moment dat Fortuyn lopend de studio zou verlaten (r-c blz.20).

Met zijn internetgedrag en zijn verklaring daarover kan worden bewezen dat Volkert "opzettelijk en met voorbedachten rade" heeft gehandeld.

de ochtend van 6 mei 2002

Er zijn geen verklaringen over waar de verdachte die vroege ochtend was. Zijn vriendin heeft niet inhoudelijk willen verklaren, dus moeten we het doen met wat verdachte er zelf over zegt. En dat is opvallend weinig. Hij weet niet meer hoe hij zich 's morgens voelde, wat hij precies heeft gedaan voordat hij de deur zegt te zijn uitgegaan.

Het verhaal begint die dag pas controleerbaar rond een uur of tien. Een collega verklaart dat hij zelf op 6 mei 2002 tussen 9.45 uur en 10.00 uur bij VMO arriveerde en dat Volkert net iets later binnenkwam. Ze hebben gewoon gewerkt. We zien dus verdachte als altijd druk bezig met dossiers, telefoontjes en een poststuk klaarmaken voor verzending. Intussen heeft hij zijn rugzak naast zich, met zijn pistool en zeven kogels. Twee werelden, die tot het middaguur gewoon naast elkaar bestaan. Omstreeks 12.30 uur zijn zij beiden het kantoor uitgegaan. "Volkert zei dat hij die middag vrij nam vanwege het mooie weer" (GET/72). Deze collega heeft een half uur lunchpauze genomen en is daarna weer teruggekeerd naar kantoor. Met Volkert heeft hij geen contact meer gehad.

de middag van 6 mei 2002

Uit informatie van de Postbank blijkt dat Volkert die dag om 12.48 uur in Wageningen € 150,= heeft opgenomen (relaas-pv blz.36, en DIV/12). Rond hetzelfde tijdstip heeft Volkert op een postkantoor in Wageningen een postpakket verzonden in verband met zijn werk bij de VMO (relaas-pv blz. 28 en 29).

Uit informatie van Albert Heijn blijkt dat hij om 13.16 uur één fles Spa rood, scheermesjes en -schuim, bananen en mueslibroodjes heeft afgerekend bij een AH-filiaal in Wageningen (relaas-pv blz.36, en DIV/13).

Op een doos in verdachtes kofferbak zat een aankoopbon van een scheerapparaat, afgerekend op 6 mei 2002 om 13.42 uur bij een winkel in Bennekom (relaas-pv blz.27).

Naar aanleiding van een later buurtonderzoek in Hilversum, in de omgeving van verdachtes auto, heeft een getuige verklaard dat hij de Toyota op 6 mei om 15.30 uur, toen hij zelf met zijn auto uit de Celebeslaan vertrok, nog niet heeft gezien, maar om 17.45 uur toen hij terugkwam wel (GET/41).

Naar eigen zeggen is Volkert onderweg van Bennekom naar Hilversum drie keer gestopt: de eerste keer om zich te scheren (langs de A12), daarna om te tanken (bij Utrecht, van de snelweg A27 af), en tenslotte nog een keer om het wapen met wasbenzine schoon te maken (voor Hilversum). Hij had bij die laatste keer zijn latex handschoenen aan (r-c blz.16 en VERD/46 en 42-43).

Volkert zelf verklaart dat hij om een uur of vier die middag bij het Mediapark aankwam. Niemand heeft hem rond die tijd gezien, dus moeten we het uitsluitend met zijn eigen verklaring doen. Hij heeft het Mediapark eerst nabij de hoofdingang verkend en daarna het fietspad aan de Insulindelaan ontdekt. Vervolgens is hij het terrein gaan bekijken en heeft hij even op een bankje rust gezocht voor zichzelf (VERD/57). Vervolgens ging hij op zoek naar het 3FM-gebouw, dat hij van buitenaf al had gezien (VERD/47). Tussen de struiken heeft hij de tas met het pistool in de grond gegraven, om in de resterende tijd niet gezien of gecontroleerd te worden met een wapen bij zich.

de laatste minuten

Daar, tussen de struiken, heeft hij naar eigen zeggen ongeveer een uur gezeten (r-c blz.17). Hij kon flarden horen van de uitzending binnen (r-c blz.19). Wie de radio-uitzending van BNN terugluistert, hoort onder meer dat aan Fortuyn wordt gevraagd hoe oud hij denkt te worden. Of Van der G. dat ook heeft opgevangen weet ik niet, maar het levert een buitengewoon griezelig beeld op: een jongeman in de struiken, en tussen de auto's, terwijl hij de radiostem hoort van zijn niets vermoedende slachtoffer. Ik denk dat iedereen die zichzelf probeert te verplaatsen in de positie van degene die daar lag, met een zojuist doorgeladen pistool op zak, zich niet kan voorstellen dat hij kort daarna in staat zou blijken te zijn om zó onopvallend - beheerst - op Fortuyn af te lopen, dat het lijkt alsof hij op die locatie hoort.

Kort voor 18.00 uur groef hij het wapen op. Naar eigen zeggen kwam hij een beetje tussen de struiken uit, ging naast een auto liggen, met zijn gezicht richting de uitgang van het 3FM-gebouw, zodat hij onder de auto door die richting uit kon kijken (VERD/48). Hij kon buiten het 3FM-gebouw horen dat de uitzending was afgelopen, en zag Fortuyn naar buiten komen lopen met een paar andere mensen. Hij stond op en liep met een boogje om Fortuyn heen om hem van achteren te kunnen neerschieten. Wat Volkert hierover zegt is even doeltreffend als kil en berekenend: "Ik had bedacht dat als ik Fortuyn van voren zou benaderen hij het misschien zou zien aankomen. Het van achteren beschieten van Fortuyn zou de minste problemen opleveren. Hij zou dan niet wegduiken wat dan weer gevaar voor anderen zou hebben opgeleverd. Het was ook mijn bedoeling om Fortuyn niet onnodig te laten lijden. Van achteren zou ik hem direct dodelijk kunnen verwonden" (r-c blz.19).

Volkert beschrijft zijn gedachten op het laatste moment als "ogen op oneindig en verstand op nul (…) Van tevoren had ik nog wel twijfels, maar op het laatste moment niet meer. Dat ik op het laatste moment niet meer twijfelde, had ook met mijn overtuiging te maken. (…) Ik bedoel daarmee het plan, in de zin van dat ik op dat moment het gevoel had dat ik met iets goeds bezig was. U vraagt mij of ik daarmee doel op het ombrengen van Fortuyn en de gedachte daarachter. Ja, zo bedoel ik dat." (r-c blz.21).

hoe Volkert overkwam tijdens het schieten

Getuigen van de aanslag zeggen ook iets over hoe de schutter op hen overkwam.

Getuige Van D. (medewerkster van een omroep): "Hij kwam heel vastbesloten, koelbloedig over. Ik zeg dat met name omdat de man geen pauze liet vallen tussen de schoten" (r-c blz.18).

Getuige Zeroual (LPF-Kamerlid): "Ik ervoer de uitdrukking op zijn gezicht als koel en emotieloos" (r-c blz.3), en "ik zag op het gezicht van de man met het wapen een totale leegheid en gebrek aan emoties. Dit is me met name opgevallen omdat je van iemand die zojuist op iemand heeft geschoten, emoties zou verwachten van bijvoorbeeld schrik of kwaadheid" (r-c blz.5).

Getuige P. (medewerker van een omroep) noemt het optreden van de schutter "resoluut. De Cap maakte op mij de indruk dat hij duidelijk met 1 doel bezig was en dat hij voor niemand anders dan Fortuyn aandacht had" (r-c blz.9). Ook getuige K. (medewerker van een omroep) zag "geen moment van twijfel. Ik doel daarbij ook op het eerst onopvallend langs Fortuyn lopen om vervolgens van achteren toe te slaan" (r-c blz.4). Getuige De Wild kan het gedrag niet goed duiden, maar kan wel zeggen "dat de wijze waarop de dader onze richting op kwam lopen, op mij mij overkwam alsof hij de situatie ter plekke goed kende, alsof hij daar hoorde" (r-c blz.4).

Het is, vooral ook gelet op wat De Wild erover heeft verklaard, de vraag of Van der G. wel echt zijn 'verstand op nul, blik op oneindig' had. Hij had van te voren bedacht dat hij in alles onopvallend moest overkomen. En óók toen hij zijn laatste tien tot twintig meters in de richting liep van het kleine groepje mensen, bij wie Fortuyn stond, besefte hij dat hij normaal moest overkomen. Daarom rende hij niet. Hij kwam over als iemand die daar hoorde.

de aanslag

Hoewel Fortuyn enkele mensen dicht bij zich had staan, aarzelde Volkert niet, maar schoot hij van zeer korte afstand 5 keer van achteren op het bovenlichaam van Fortuyn. Volgens het NFI duiden de schotrestsporen op de kleding van het slachtoffer op een schootsafstand van niet meer dan 50 tot 150 centimeter (TR/115). Verdachte erkent deze korte afstand (r-c blz.21).

Volgens de verdachte zelf was hij geen geoefend schutter, en hoefde hij dat ook niet te zijn, "op zo'n korte afstand is het niet moeilijk om iemand te raken" (r-c blz.14 en 21).

De uitvoering van Volkerts voornemen was als die van een liquidatie. Om aan te geven hoe dat feitelijk werkt, citeer ik uit zijn eigen verklaring: "Ik heb hem wel ineen zien zakken en heb toen nog schoten afgevuurd. Ik heb toen doelbewust op zijn hoofd gericht en geschoten" (r-c blz.20) en "Ik heb na elke keer vuren de terugslag van het wapen gevoeld. Het gevolg van een terugslag was steeds dat ik het wapen weer moest richten. Dat heb ik tijdens het schieten op Fortuyn ook steeds gedaan" (r-c blz.22).

Bij dit beeld van een liquidatie past ook dat Van der G. een plastic tas om het pistool had gewikkeld. Wie het lef heeft om vrij open op zijn slachtoffer af te stappen en hem van zeer korte afstand durft neer te schieten, wil in ieder geval geen onnodige sporen achterlaten; kogelhulzen zijn belangrijk sporenmateriaal. Van der G. zegt door de bodem van de plastic zak heen te hebben geschoten (r-c blz.19 en ter zitting 27-03-03). Als hij dat goed had gedaan, zouden de hulzen in de zak zijn opgevangen, en waren zij niet op het Mediapark achtergebleven. Het heeft er alle schijn van dat het anders liep dan Volkert bij zijn voorbereidingen had bedacht; de hulzen rolden wel één voor één over de grond.

Extra kwalijk, want riskant, is het schieten door een plastic tas heen, doordat het richten daardoor wordt bemoeilijkt. Verdachte heeft alleen al daardoor het risico genomen dat hij één of meer anderen zou treffen.

Ruud de Wild ook bijna doodgeschoten

Om de grote ernst van de aanslag te benadrukken merk ik hier op dat getuige Ruud de Wild, die vlak bij Fortuyn stond, na het eerste schot een tas voor zijn hoofd hield (r-c blz.4). In deze tas bleek later een inschotopening te zitten. Het NFI stelt vast dat er geen aanwijzingen zijn dat die tas van minder dan 150 cm afstand is beschoten (TR/115). De afstand is dus waarschijnlijk iets groter dan die van waaraf Fortuyn is neergeschoten; kennelijk was Volkert toen al aan het weglopen. De Wild heeft bij de rechter-commissaris verder verklaard dat hij na de aanslag een bloeding in zijn linker oor had. Volgens een KNO-arts was dit waarschijnlijk het gevolg van de druk van een dicht bij zijn oor afgevuurd schot; ook heeft hij verklaard dat Fortuyn tijdens de schoten ineen zeeg terwijl hij een arm van De Wild vasthield (r-c blz.3). Een laatste bewijs dat De Wild echt bijna in de baan van de dodelijke kogels heeft gestaan is het feit dat op zijn tas (weliswaar minuscuul) celmateriaal en bloed is aangetroffen, waarvan het DNA-profiel past bij dat van Fortuyn. Kortom, Volkert heeft - wellicht bij zijn laatste schot, dat hij naar eigen zeggen per ongeluk afvuurde bij het weglopen (r-c blz.20) - toch bewust het risico aanvaard dat hij een ander naast Fortuyn zou treffen. Het had maar een haar gescheeld of ook De Wild was doodgeschoten. Hij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij bewust geen aangifte heeft willen doen; de aanslag was volgens hem op niemand anders dan op Fortuyn gemunt, en hij meent dat het voor hem zelf beter is dat hij niets meer met deze zaak te maken heeft (r-c blz.5). Ik respecteer deze keuze, en heb daarom de verdenking dat verdachte De Wild opzettelijk bijna heeft doodgeschoten, niet in de tenlastelegging opgenomen; de vele aandacht die dit proces al krijgt zou zich dan wellicht te veel op deze getuige toespitsen.

Dit alles neemt natuurlijk niet weg dat met deze omstandigheid rond de moord op Fortuyn wel rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de strafmaat; ik kom er dus op terug.

de dood van Fortuyn

Het slachtoffer Fortuyn viel terstond neer. Eén getuige noemt het met "een schokkende beweging" (NOS-medewerker, GET/53), De Wild zag hem "ineen zijgen" en dacht meteen dat het slachtoffer al stervende was (De Wild, r-c blz.3).

Fortuyn moet vrijwel direct zijn overleden, al heeft de gemeentearts - naar ik aanneem tegen beter weten in, maar het was wel Pim Fortuyn die daar lag - nog een uur lang geprobeerd te reanimeren (DIV/04). Getuige Zeroual is direct als enige bij hem neergeknield. Zij raakte enigszins in paniek, want zij merkte hoe open de plek was waar zij zat en wist niet wat er ging gebeuren. Na een korte rit met de heer De Booij over het Mediapark keerde zij bij het lichaam terug. Fortuyn vocht nog om adem, maar zei niets meer (r-c blz.4).

Uit het sectieverslag blijkt dat Fortuyn 5 keer was geraakt, eenmaal in de nek, tweemaal in de rug, tweemaal in het hoofd. De verwondingen aan de hersenen, het hart, de hals en de linker long kunnen de dood zonder meer verklaren, aldus de beide pathologen (TR/147).

had Volkert voorverkend?

Volkert stelt dat hij vóór 6 mei 2002 geen vluchtplan had; toen hij op 6 mei via het fietspad het Mediapark was opgelopen had hij bedacht dat hij zó het park zou verlaten (r-c blz.23). Het lijkt aannemelijk, maar roept toch vragen op.

Oké, hij wist pas op de avond van 5 mei dat hij op 6 mei op het Mediapark zou kunnen toeslaan, dus vóór 6 mei kon hij geen vluchtplan vanaf het Mediapark hebben. Maar het blijft voor degene die het Mediapark een beetje kent moeilijk voorstelbaar dat Volkert, die van plan was om Fortuyn te vermoorden op onbekend terrein, zijn auto zo maar ergens parkeerde, zo maar ergens het terrein opliep en alleen maar beetje onthield hoe hij gelopen was, en op díe manier probeerde zijn pakkans te verkleinen. Als we hem moeten geloven had hij aan één keer buitenom langs het Mediapark rijden, en bestudering van de uitgedraaide plattegrond (die vervolgens in de auto kon achterblijven), genoeg om te weten waar hij op het terrein moest zijn. Volkert had zich zó voorbereid op het onopvallende karakter van zijn uiterlijk (kleding, pet, geschoren, geen oorringen) en van de daadwerkelijke uitvoering van zijn plan (rustig lopen, schieten vanuit een tas). Zou hij echt voldoende hebben gehad aan één loopje over het terrein om zich tijdens zijn vlucht niet één keer in een bocht te kunnen vergissen? Het is toch eigenlijk een dwaze gedachte dat iemand die de bekendste politicus van Nederland van dat moment, op een zo belangrijk moment in de verkiezingscampagne, gaat vermoorden, over zijn eigen aftocht niet meer denkt dan: "Ik had zoiets van, ik kom wel weg, ik ren wel weg". Hij voegt daar nog aan toe dat hij ervan uitging dat mensen niet zo snel een gewapend persoon achterna zullen rennen, zeker niet nadat iemand is neergeschoten (VERD/49). Het is niet erg aannemelijk dat Volkert zó onzorgvuldig met zijn eigen vrijheid ná een succesvolle aanslag zou omgaan.

Er zijn ook een paar indicaties om aan te nemen dat hij zich toch wel iets beter op zijn aftocht heeft voorbereid:

Hij had zich die ochtend niet geschoren. Goed, het kan gebeuren dat je dat vergeet. Maar het is niet logisch als je je voorbereidt om geheel onopvallend van uiterlijk te zijn, en een stoppelbaard juist opvallend vindt. Het kan dus ook zo zijn dat Volkert die ochtend geen tijd of gelegenheid heeft gehad zich te scheren. Misschien omdat hij niet of nauwelijks thuis was? Toen de politie hem vroeg of hij zich zijn stoppelbaard die ochtend niet had gerealiseerd toen hij voor de spiegel stond, antwoordde hij: "Misschien omdat ik niet voor de spiegel heb gestaan. Ik weet het niet. Niet aan gedacht" (VERD/37). Zou hij inderdaad niet thuis zijn geweest die nacht of vroege ochtend? Als dát zo zou zijn geweest, had zijn vriendin dat moeten merken.

Hij had een bivakmuts in zijn jaszak (AH/347). Bij de rechter-commissaris wilde hij daarover, op advies van zijn raadsvrouwe, niets zeggen (r-c blz.26), terwijl hij voor het overige zo open was. Pas recent verklaarde hij dat hij deze muts uitsluitend tegen de kou in zijn bezit had (verklaring zitting 27-03-03); geen echte reden om dat niet al meteen bij de rechter-commissaris te zeggen, dunkt mij. Ik vond het plotselinge zwijgen daarover verdacht.

Van der G. heeft verklaard dat hij die 's avonds op 5 mei uit de beige koffer had gehaald, samen met zijn pistool (verklaring zitting 27-03-03). Op 6 mei rond 18.00 uur had hij zich niet opvallender kunnen gedragen dan met een bivakmuts over zijn hoofd, dus het is niet waarschijnlijk dat hij deze muts bij zich had met het oog op de aanslag. Het was een mooie dag, die 6e mei; Volkert had tegen zijn collega nog gezegd dat hij vanwege het mooie weer een middag vrij nam (GET/72). Bij de rechter-commissaris wilde verdachte op advies van zijn raadsvrouwe nadrukkelijk niet ingaan op mijn vraag waarom hij überhaupt een bivakmuts in zijn bezit had (r-c blz.26). "Ik had hem bij me voor 'je weet maar nooit'" was het toen nog. Volgens mij is het waarschijnlijker dat je een bivakmuts hebt om te dragen tijdens het donker, om nooit herkenbaar te zijn, en is het ook waarschijnlijker dat verdachte vergeten is deze muts uit zijn jaszak te verwijderen, dan dat hij de muts voor alle zekerheid bij zich had.

Ik heb verdachte gevraagd of het mogelijk is dat hij zijn idee om uitdrukkelijk onopvallende kleding en handschoenen te gebruiken, heeft geput uit oude brochures zoals "Verzet is mogelijk", dat in dezelfde koffer is gevonden. Hij heeft verklaard dat dat wel zo kan zijn (zitting 27-03-03). Het is heel opmerkelijk dat in datzelfde blad wordt aangeraden om de plaats waar je een actie wilt uitvoeren, tevoren te gaan bekijken, liefst 's nachts en met een bivakmuts op. Ik wil niet stellen dat Van der G. zich kort tevoren nog had georiënteerd in dit soort boekjes. Maar het mag dan misschien wel jaren geleden zijn dat hij belangstelling had voor dit soort lectuur, de strekking van een aantal algemene adviezen voor het voeren van acties kan hem prima zijn bijgebleven.

Volkert weet niet meer precies wanneer hij, met het oog op de aanslag, zijn pistool uit de koffer haalde: zondagavond 5 mei of maandagochtend 6 mei. Nader bij de rechter-commissaris en bij de politie, maar ook op de zitting (27-03-03) houdt hij het op 5 mei 's avonds (r-c blz.14 en VERD/41). Ook dat is opmerkelijk: een zó spannende gebeurtenis als het uit de koffer halen van een pistool dat daar al zó lang onaangeroerd en ongebruikt ligt, met het doel om daarmee het ergste misdrijf te begaan tegen een dagelijks in het nieuws zijnde politicus, dát moment moet toch in het geheugen gegrift staan? In dezelfde lijn is het voor mij onbegrijpelijk dat hij zich niet kan herinneren hoe hij die nacht in slaap is gekomen, hoe hij heeft geslapen, en hoe het 's morgens was om op te staan, en zijn vriendin en kind gedag te zeggen. Bijna elf maanden heeft verdachte de film van dat laatste etmaal kunnen terugdraaien.

Het lijkt mij eerder aannemelijk dat Volkert, die zich vele andere details wel herinnert, dit niet meer precies kan aanduiden omdat hij al vanaf het begin dat hij ging verklaren, iets ánders uit zijn verklaringen heeft weggefilterd, nl. dat hij op enig moment die nacht, ochtend of dag voorafgaand aan de aanslag de locatie van het Mediapark wat beter in zich heeft opgenomen dan hij ons nu wil doen geloven.

Hij had de plattegrond van het Mediapark in zijn auto laten liggen. Het park is groot, als je er nog nooit eerder bent geweest is het niet vanzelfsprekend dat je er goed de weg vindt naar, en vooral ook vanaf de plaats waar je iemand wilt gaan vermoorden, zonder dat je de plattegrond bij je hebt. Verdachte zegt bij de rechter-commissaris dat hij in zijn dagelijkse werk ook veel met kaarten te maken heeft, en daar goed mee kan omgaan (r-c blz.25). Het klinkt logisch, maar de plattegrond van het Mediapark lijkt niet op bedrijfsplattegronden die je voor milieuprocedures nodig hebt. Het gaat in dit geval om een tamelijk grof geschetst plaatje dat niet voldoende lijkt om verder ongezien je weg te vinden.

Er zijn stuifmeelsporen op Volkerts handschoenen aangetroffen, die overeenkomsten vertonen met die van de locatie waar hij in de bosjes heeft gezeten. Deze plek kan - in tegenstelling tot 5 andere locaties in het mediapark - de locatie van herkomst zijn (rapport NFI d.d. 1 november 2002). Dit beeld, dat weliswaar voorzichtig is geformuleerd, past wonderwel bij de eigen verklaring van de verdachte over de plaats waar hij zich die middag heeft schuilgehouden. In zoverre is het eerste NFI-milieuonderzoek een bevestiging van de verklaring van verdachte zelf.

Nu is er echter iets heel opmerkelijks. Enerzijds zegt verdachte dat hij die middag maar één keer op het Mediapark is geweest, nl. conform wat hij er zelf over heeft verklaard (VERD/59). Anderzijds zijn op de radio, de vloermat, de pedalen en één Spa-fles in zijn auto wèl - en zelfs veel - stuifmeelsporen gevonden (het nagezonden NFI-rapport 21 maart 2003). Het tweede NFI-milieurapport geeft aan dat het stuifmeel op die voorwerpen gelijksoortig van samenstelling is, en sterk overeenkomt met de verse component van het stuifmeel op verdachtes handschoenen en in de monsters uit het Mediapark. Er is dus sprake van mogelijk één bron, het Mediapark. Het kán ook van elders komen, maar niet uit verdachtes tuin in Harderwijk, en ook Bennekom is niet aannemelijk. Daar zijn de stuifmeelcomponenten te verschillend voor. Voor de aanwezigheid in zijn auto van dit stuifmeel, afkomstig van vermoedelijk het Mediapark, heeft verdachte tot op heden geen goede verklaring gegeven.

Kortom, er is op zijn minst aanleiding te vermoeden dat Volkert op enig moment in de nacht of vroege ochtend van 6 mei 2002 op het Mediapark is geweest, en daarna nog terug is geweest in zijn auto buiten het Mediapark.

Voor alle duidelijkheid, ik kan het niet aantonen dat Van der G. die nacht of ochtend is wezen 'voorverkennen'. De milieurapporten van het NFI moeten uiteraard met de nodige voorzichtigheid worden gelezen; de conclusies omtrent het verband tussen de stuifmeelsporen op twee locaties zijn niet hard. Maar alle genoemde feiten en omstandigheden roepen wel de vraag op of het niet zeer aannemelijk is dat hij de situatie wel degelijk eerder heeft bekeken, zijn positie heeft bestudeerd, en vervolgens nog enige tijd is weggegaan om later beter beslagen ten ijs te komen.

Waarom is het belangrijk dit op te merken? Het feitencomplex verandert er niet echt door. De tenlastelegging al helemaal niet.

Toch vind ik het belangrijk om hiernaar onderzoek gedaan te hebben, om beter te kunnen beoordelen hoe oprecht en betrouwbaar de verdachte in zijn verklaringen is geweest. Zowel over de feiten als over zijn drijfveren. Ik kom daarop terug bij de bespreking van zijn persoon.

de vlucht, de bedreiging en de aanhouding

We weten inmiddels goed genoeg hoe Volkert na het schieten is gevlucht. In één rechte lijn rende hij het Mediapark door en uit, achtervolgd door de getuige Smolders, halverwege gevolgd door de twee andere getuigen K. en S. De eerste keer dat 'de man met de pet', zoals getuige K. de verdachte noemde, zich naar K. omdraaide, zag deze getuige dat de man zijn hand in een jaszak had alsof hij daarin iets had waarmee hij op hem richtte (r-c blz.8). De verdachte heeft later verklaard dat hij zich inderdaad omdraaide met zijn hand in een jaszak, maar geen bedoeling had deze getuige te bedreigen; hij hield zijn hand in zijn jaszak op het wapen om te voorkomen dat het uit zijn jaszak zou vallen (r-c blz.3).

Wel erkent hij dat hij even later de getuige Smolders zijn wapen heeft laten zien om hem te weerhouden van verder achtervolgen (r-c blz.3). Smolders heeft verklaard dat de schutter zich op de Celebeslaan naar hem omdraaide en een wapen op hem richtte (r-c blz.5). Daarmee staat m.i. vast dat Volkert deze Smolders heeft bedreigd; dat hij niet de intentie heeft gehad om Smolders iets aan te doen (r-c blz.24) doet aan het karakter van bedreiging niets af.

Niet vast staat dat hij ook K. heeft bedreigd, en daarom is dat onderdeel van de tenlastelegging afgehaald.

Uit de videopresentatie van de vlucht-, loop- en rijroutes blijkt zichtbaar en duidelijk dat er niets mysterieus was aan het feit dat de politie zo snel ter plaatse was. Uit de beelden, die we hebben gezien in hetzelfde tempo als de gebeurtenissen zelf zich hebben afgespeeld, blijkt hoeveel er in enkele minuten kan gebeuren. De hoofdagenten Bosch en Lammers reden op surveillance in Bussum-Zuid, hoorden de melding van een schietincident - let wel: zij wisten toen niet wie het slachtoffer was, dus dáárop kunnen zij niet hebben gereageerd, zij deden gewoon wat zij behoorden te doen - en trokken ijlings hun kogelvrije vesten aan. De hondengeleiders Molenaar en Plantinga waren op het hoofdbureau in Hilversum, hoorden dat er geschoten was op het NOB-terrein en gingen meteen die richting uit. Via de meldkamer hoorden zij onderweg dat een getuige de locatie van de verdachte doorgaf. Toen zij iemand zagen zwaaien om hen de juiste richting op te loodsen, reden zij en vervolgens liepen zij de Celebeslaan in, steeds dichter op de verdachte aan.

Het is een samenloop geweest van bijzonder prijzenswaardig en alert optreden (primair natuurlijk van de heer Smolders, die grote moed heeft getoond door achter een schutter met vuurwapen aan te gaan èn onderweg de politie op de hoogte te houden, en vervolgens van de razendsnel optredende politieagenten) en een dosis toeval en professionaliteit (door op het juiste moment op de juiste plaats te zijn en geen fouten of vergissingen te maken), waardoor Volkert van der G. al zó snel kon worden aangehouden. Ik ben ervan overtuigd dat, als het na het schieten op Fortuyn had ontbroken aan deze moed en alertheid en dit beetje geluk, de verdachte een goede kans had gemaakt om ongezien weg te komen; en wie zou ooit op hém als mogelijke dader zijn gekomen? Volkert speculeerde daar zelfs op: hij zou in de anonimiteit kunnen verdwijnen, en daarmee oproepen dat de verdenking zou uitgaan naar ándere groeperingen of een ánder dan hijzelf. Bij de politie zegt hij daarover: "Stel nou dat ik weg was gekomen en jullie zouden niks gevonden hebben, dan was natuurlijk niet duidelijk geweest uit welke hoek dat zou zijn gekomen. Dus konden ze ook niet wijzen, in feite. Ze kunnen natuurlijk speculeren." (…) "…als er gewoon geen aanwijzingen zijn dat het uit een bepaalde richting komt, dan kan het toch nooit serieus worden. Dan denk ik ook dat als één of andere journalist allerlei suggesties zou doen, dat er dan allemaal weer tegenwerpingen zouden komen van andere zijden. Van dat zeg je nu wel, maar daar heb je geen aanwijzingen voor" (VERD/50).

Toen verdachte werd aangehouden was hij uitgeput. Hij had al eerder de energie uit zijn lichaam voelen stromen, door ontlading van de spanning en gebrek aan conditie. Hij was bekaf en kreeg een gevoel van berusting over zich (r-c blz.24-25). De twee agenten die hem aanhielden verklaren dat hij een diepe zucht slaakte, rustig bleef, buiten adem was, het schuim op de mond had staan, en heel diep ademde (Bosch, r-c blz.8, en Lammers, r-c blz.11). Nadat zij de verdachte op het politiebureau hadden gebracht, hoorden zij wie het slachtoffer van de schietpartij was. Dus nogmaals: hun optreden kan op geen enkele wijze zijn beïnvloed door de wetenschap dat het de heer Fortuyn was die kort tevoren was neergeschoten (Bosch r-c blz.9, en Lammers r-c blz.11-12).

Op het bureau heeft verdachte bij zijn verhoor ter gelegenheid van zijn inverzekeringstelling gezegd: "Ik leg geen verklaring af. Ik wil eerst overleg met mijn advocaat mr.Böhler" (DIV/05). Die zwijgzaamheid heeft hij ½ jaar volgehouden tot zijn verhoor bij de rechter-commissaris.

C. het bewijs van de ten laste gelegde feiten

Ten aanzien van feit 1 kan de betrokkenheid van de verdachte ruimschoots worden bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:

Fortuyn is gedood door vijf dodelijke kogels in zijn hoofd, nek en rug;

één getuige is de schutter onophoudelijk gevolgd tot aan zijn aanhouding door de politie;

verdachte had een pistool op zak, waarvan later is vastgesteld dat daarmee de zes afgeschoten kogels zeer waarschijnlijk zijn verschoten, en dat daarop een bloedspoor van het slachtoffer is aangetroffen;

verdachte had celmateriaal van het slachtoffer op zijn linker broekspijp;

ook had hij een grote hoeveelheid schotrestsporen op zijn handschoenen en mouwen;

hij heeft uiteindelijk bekend Fortuyn met het pistool te hebben doodgeschoten en deze daad tevoren beraamd te hebben. Daarom kan worden bewezen dat verdachte de heer Fortuyn met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht.

Over de voorbedachten rade nog dit. Volkert heeft het plan weken tevoren opgevat, en is het betrekkelijk kort tevoren goed gaan voorbereiden: waar en wanneer, hoe, met wat voor wapen, in welke outfit. Hij heeft zich niet op één locatie georiënteerd, maar ook op de mogelijkheid dat hij Fortuyn zou moeten opzoeken bij een ander LPF-partijlid bij wie Fortuyn, naar Volkert dacht, wel eens zou kunnen verblijven.

Op de vraag van de rechter-commissaris of hij de aanslag had beraamd en voorbereid, zei hij kortweg "ja" (r-c blz.2). Daarna heeft hij dit nader verwoord door te zeggen "Het idee voor de aanslag is niet opeens ontstaan, maar is gegroeid" (r-c blz.4) en "Ik heb Fortuyn in alle media gevolgd en het totaalbeeld heeft mij op deze gedachte gebracht" (r-c blz.5). Later bevestigt Volkert de verklaring van zijn vroegere vriend Robert dat hij rationeel is in het doel en de gevolgen van zijn handelen: "het gebeuren van 6 mei 2002 kwam niet voort uit een impuls. Het was niet zo van 'wat zal ik eens gaan doen op mijn vrije middag?'. Ik heb er wel over nagedacht. Ik weet dat ik slordigheden heb begaan bij de uitvoering van die aanslag (…). Misschien had het te maken met het feit dat ik er onbewust niet zoveel over wilde nadenken" (r-c blz.29).

Weliswaar heeft Volkert tegenover de psychiater van het Pieter Baan Centrum gezegd dat hij niet heel erg heeft gepeinsd over zijn voornemen om Fortuyn te doden, dat het "een idee was dat zo naar binnen flitste", dat hij er niet te lang over wilde denken, en het te snel heeft gedaan (PBC-rapport blz.72). Hierdoor kan de indruk worden gewekt dat verdachte uiteindelijk in een opwelling zegt te hebben gehandeld, en van voorbedachten rade in zijn beleving eigenlijk tòch geen sprake is geweest.

De deskundige merkt echter meteen op dat verdachte op deze manier heeft getracht "de volle omvang van zijn voornemen niet te zien door telkens de mogelijkheid open te houden om zijn voornemen om de een of andere reden niet uit te voeren" (blz.72). Volkert hield een uitweg open en voorkwam daarmee dat hij in dwangmatig piekeren of twijfelen zou vastlopen (blz.77). Volkerts verklaring op dit punt heeft dus vooral een psychische lading, die zijn langdurig voornemen om op enig moment Fortuyn door geweld uit te schakelen onverlet laat.

Het bewijs voor feit 2 is gegrond op de verklaring van de getuige Smolders (GET/ 02 en r-c blz.5) en de bekennende verklaring van de verdachte zelf (r-c blz.3 en 24, en VERD/49).

Feit 3 - wapen- en munitiebezit - kan worden bewezen o.g.v. de volgende bewijsmiddelen:

bij verdachtes aanhouding werd op hem een pistool van het merk Star aangetroffen (AH/16), met nog één patroon in de kamer (AH/101). Het betreft een wapen en munitie van de categorie III ingevolge de Wet wapens en munitie (AH/16-17).

bij de doorzoeking van verdachtes woning in Harderwijk werden, in een koffer op zolder, 46 kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm aangetroffen (AH/99). Dit betreft munitie van de categorie III (AH/102).

verdachte heeft het voorhanden hebben van het wapen en de munitie bekend (r-c blz.3).

Ik wil nog een opmerking maken over de munitie die de verdachte in zijn bezit heeft gehad. Hij heeft verklaard (r-c blz.13) dat hij het wapen geladen kocht, en (later) 2 doosjes munitie. In totaal zijn 54 patronen op hem terug te brengen, dat zijn 2 doosjes van 25 stuks en, als zijn verklaring juist is, 4 in het wapen bij de aankoop.

Naar eigen zeggen heeft hij niet zo gek lang na de aanschaf van het wapen één proefschot gelost, om het wapen uit te proberen (VERD/39). Het merk patroon van dat proefschot kennen wij (uiteraard) niet. Naast één vol doosje met 25 patronen van het merk S&B werd bij hem thuis een doosje gevonden met twee patronen van het merk S&B, één patroon van het merk PMC en 18 patronen van het merk MRP; totaal 21 patronen dus, van drie verschillende merken, in één doosje. Verder is opmerkelijk dat uit technisch onderzoek blijkt dat de zes patronen waarmee Fortuyn is beschoten en de ene patroon dat nog in het pistool werd gevonden, ook van het merk MRP zijn. Met de 18 MRP-patronen in het doosje maakt dat in oorsprong één vol doosje van 25 stuks. Twee dingen springen hier in het oog:

Uit het feit dat hij over patronen beschikte van 3 verschillende merken, die niet geheel logisch in één van de doosjes waren opgeborgen, kan worden vermoed dat hij met de gekochte patronen wat heeft geëxperimenteerd voordat hij met het geladen wapen naar het Mediapark ging, en uiteindelijk 7 patronen uit het nieuwe volle doosje heeft gebruikt voor zijn plan.

Het is zeer de vraag of juist is dat verdachte ooit maar één keer een (proef)schot heeft gelost. Als zijn verklaring juist zou zijn, heeft hij een 'geladen wapen' gekocht met niet meer dan 4 patronen. Dat lijkt bij een capaciteit van 8 patronen (TR/101) niet erg waarschijnlijk. Maar goed, Volkert verklaart zelf dat hij 4 patronen bij het wapen kreeg (VERD/38-39). Bewijs dat hij bij de aankoop meer patronen had is er niet.

feit 4: de 35 condooms

Feit 4 vergt aparte bespreking.

Bij verdachte is op 24 juni 2002 een nadere doorzoeking van zijn woning verricht. Aanleiding was vooral een telefoongesprek tussen verdachte en zijn vriendin op 12 juni 2002 over iets in de garage. Verdachte vroeg Petra twee keer nadrukkelijk ergens even aan te denken, zonder in te gaan op wat dan precies. Petra zei dat de garage niet op slot kon, en vroeg aan haar vriend of het bekend was, en wat ze uit de garage zouden kunnen halen.

Wij interpreteerden dit gesprek als verhullend. Verdachte heeft dat later altijd bestreden, hij zou slechts bang zijn geweest voor inbraak of diefstal, maar feit is wel dat de rechter-commissaris bij een doorzoeking in de garage een kunststof container aantrof die gevuld was met chemische stoffen. Ook lag daar een kookwekker waaraan elektriciteitssnoeren en stekkers waren bevestigd. Daardoor leek het op een ontstekingsmechanisme met tijdvertraging. Ook werd een bamboe hengel met bidon en afstandsbediening gevonden. De wekker en de hengel staan afgebeeld in boeken over (ik noem het maar) chemisch actie voeren. Verder werden aantekeningen over chemicaliën gevonden.

Te veel voor iemand die het alleen maar leuk vindt scheikundige proefjes te doen. Maar ook te onwaarschijnlijk omdat deze stoffen en voorwerpen bij uitstek geschikt bleken te zijn voor het maken van brandbommen en dergelijke. Verdachte bewaarde thuis ook boekjes en brochures uit het anarchistische actiewezen, portofoons die afgesteld stonden op politiefrequenties, een scanner, een map met politiefrequenties, en bivakmutsen.

Daarom móest deze hoeveelheid stoffen en voorwerpen, in combinatie gezien, wel doen denken aan iemand die ze - ooit misschien - bedoeld heeft voor gebruik bij gewelddadige acties.

Ik heb overwogen aan verdachte ten laste te leggen dat hij zich, door het voorhanden hebben van al deze stoffen en voorwerpen, had schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 46 Wetboek van Strafrecht: voorbereidingshandelingen met het oog op brandstichting. Een redelijke verdenking was er zeker: de combinatie van al deze dingen kan tot het vermoeden leiden dat verdachte deze spullen voorhanden had, "kennelijk bestemd" tot het begaan van een misdrijf waarop acht jaar gevangenisstraf of meer is gesteld, zoals brandstichting.

Ik heb hiervan afgezien om de volgende reden. Uit het onderzoek is gebleken dat een aantal voorwerpen dateren van begin jaren '90. Verder is uit een landelijke analyse gebleken dat bij geen van de bekende aanslagen of andere gewelddadige acties, déze (mix van)

(284) Startpagina Pim Fortuyn. "Vrijheid van meningsuiting kost Nederland een Fortuyn"

Vrijheid van meningsuiting kost Nederland op 6 mei 2002 een Fortuyn. Pim werd voor 15 mei 2002 vermoord waarmee voorkomen werd dat hij zich kon inspannen om het OM een halt toe te roepen en zo mogelijk op de terugweg te dwingen. "Het is de corruptie van de coalities die belangrijker is dan het doen van recht" is een bekende uitspraak van Pim Fortuyn. Hij kreeg op 150502 1.3 miljoen stemmen

475 Zwartboek beveiliging Pim Fortuyn, hoe snel en op welke manier reageren LPF kamerleden op email van burger?

470 Confrontatie LPF met CDA Minister van Justitie Donner over norm voor meenemen of wepmeppen van winkeldief

359 Hans Smolders: "Als je er zelf inzit dan zie je pas hoe de mensen door Den Haag belazerd worden"

028 Lezers steunen zoektocht Hop naar (verborgen) bijbanen van rechter en CDA-informateur Rein Jan Hoekstra

183 Democratie in Nederland is een illusie III, Vetorecht CDA/VVD over LPF'ers

182 Democratie in Nederland is een illusie II, Lijst Pim Fortuyn razendsnel ingepolderd

288 Democratie in Nederland is een illusie I, waarschuwing voor de kamerleden/onderhandelaars LPF

178 De kunst van het liegen, tevens waarschuwing voor Hoekstra in onderzoekscommissie Haak

281 Hetze en taalgebruik tegen Fortuyn. Partij van de Arbeid krijgt pak slaag van kiezers

280 Informatie over de commissie en het (overheid)onderzoek naar de beveiliging rond Pim Fortuyn

282 Westbroek: Één mistdruppel voel je niet, maar komt het van alle kanten dan zorgt dat voor een ander politiek klimaat

275 Henk Westbroek is tegen elke vorm van censuur in Nederland

284 Rene Diekstra ging op zoek waarom gevestigde politiek geen afdoende antwoord had op Fortuyn

285 Pim Fortuyn van Nederlandse Le Pen tot Kennedy

286 Volkert leek vooral berekenend. Klacht Milieu-Offensief bij Raad voor de Journalistiek ongegrond

391Openbaar Ministerie: "Van der G. is een calculerende dader" ‘Niemand moet het ooit in z’n kop halen om nog een keer zoiets te doen’

493 Antwoord Volkert van der G. op vraag of zijn geweld tegen Fortuyn naar mijn mening gerechtvaardigd is: Toen, ja.

105 Toelichting officier van justitie ter terechtzitting rechtbank te Amsterdam in de strafzaak verdachte moord Fortuyn

488 Tenlastelegging verdachte in de zaak Fortuyn door officier van justitie Koos Plooy

447 REQUISITOIR van de officier van justitie te Amsterdam in de strafzaak tegen (parketnr.13/123078-02)Volkert VAN DER G.

078 Requisitoir hoger beroep: "Verdachte heeft een politieke moord gepleegd en daarbij past een levenslange gevangenisstraf"

497 Overzicht gevonden anarchistische lectuur Volkert van der G. in een koffer op de zolder is te lezen in requisitoir hoger beroep

Trouw, 30-06-2003

door Louis Cornelisse

Heeft Volkert van der G. wel zijn hele verhaal verteld? De twijfel daarover groeit. Zijn motief om de flamboyante politicus Pim Fortuyn op die fatale zesde mei 2002 dood te schieten, is wel erg dun. Ook worden aan de vooravond van het hoger beroep in de zaak vraagtekens gezet bij het onderzoek naar Van der G.'s geestelijke gesteldheid. In het gerechtshof zal Volkert deze week worden uitgedaagd zijn hele waarheid te onthullen.

Chef Henk Doeland (Team OMF - Onderzoek Moord Fortuyn) vertrouwt die verklaring nog altijd voor geen cent. De politieman is ervan overtuigd dat de even fanatieke als precieze milieu-activist iets achter de kiezen houdt. Op het politiebureau, enkele uren na zijn (opvallend eenvoudige) arrestatie, schrijft Van der G. zijn eerste verklaring op een papiertje. Advocaat Böhler, naar wie hij meteen na zijn aanhouding vraagt, leest daar voor het eerst iets over zijn motief. De eerste indicatie van het 'waarom' wordt op een papiertje gezet. Want Van der G. is wel zo bij zijn positieven dat hij er rekening mee houdt dat ze worden afgeluisterd.

Van der G. schrijft: ,,MOTIEF? - Politiek. Minister Zalm vindt hem een gevaarlijke man. Dat vind ik ook. Hij criminaliseert bepaalde groepen, omdat hij weet dat hij daarmee 'scoort'. Hij drijft op de onvrede die er heerst, maar probeert m.i. niet echte oplossingen aan te dragen. Wat dat betreft is er een parallel met de jaren dertig van de vorige eeuw. Met hem maakt de politiek een ruk naar rechts zodat m.i. een sociale samenleving, waar wij nu al ver vanaf staan, nog verder uit zicht komt''.

Doeland verbaast zich er nog over dat Van der G. in de aanloop naar zijn daad nooit over politiek of Fortuyn heeft gesproken. Zijn rechercheteam heeft de omgeving van Volkert uitgekamd. Vriendin Petra, zijn ex Astrid, moeder en broer Van der G., boezemvriend en collega Sjoerd van de Wouw, allemaal zijn ze uitvoerig gehoord. Talloze anderen zijn ondervraagd. Collega's als John en Jasper, en andere activisten, onder wie Robert. Van der Wouw, die toch zij aan zij met hem streed in de Vereniging Milieu-Offensief (VMO) zegt niet eens te weten of Volkert wel ging stemmen.

Om Van der G.'s a-politieke houding te illustreren citeert officier van juistitie Koos Plooy voor de rechtbank zo'n beetje zijn hele vriendenkring. Eensluidend zeggen ze: Van der G. beet zich vast in de strijd tegen dierenleed en milieuvervuiling. De schaarse tijd die hij overhield besteedde hij aan zijn gezin: vriendin Petra en zijn dochtertje Sabine, dat op 6 december 2001 is geboren.

De film in de tijd terug draaiend is het wel heel curieus dat Volkert niets over Fortuyn opmerkte. De politicus was met zijn bravoure en uitdagende standpunten in die dagen voor de landelijke verkiezingen hét gesprek van de dag. Er werd zelfs voorspeld dat zijn Lijst Pim Fortuyn op 15 mei vanuit het niets de grootste partij van Nederland zou worden. Waarmee Fortuyns uitroep 'Ik word minister-president' bewaarheid zou worden.

Volkert hield zich afzijdig van al die debatten over Fortuyn. Terwijl naar eigen zeggen Fortuyn in zijn hoofd een steeds groter gevaar werd. Zo heftig werden die gedachten, dat hij nadacht over het beramen van de aanslag. Maar dat viel niemand op. Doeland heeft met zijn team geprobeerd zich voor te stellen hoe zoiets in zijn werk is gegaan. ,,Er zijn mensen die in staat zijn om bepaalde activiteiten uit te voeren zonder het daar ooit met iemand over te hebben. Van der G. is zo iemand.'' De onderzoekers in het Pieter Baan Centrum (PBC) hebben dezelfde indruk. Gesloten, afstandelijk en cynisch noemen ze hem. Zijn duistere gedachten geeft hij niet prijs. De psychiater en psycholoog noemen zijn observatie een 'kat-en-muis-spelletje' waarbij hijzelf zoveel mogelijk buiten schot wil blijven.

Het forensisch instituut heeft twee belangrijke conclusies getrokken uit de observatie van Van der G.. Beide kunnen van groot belang zijn tijdens het hoger beroep deze week. Van der G. was ten tijde van de liquidatie normaal bij zijn verstand. In jargon wordt hij volledig toerekeningsvatbaar geacht. De tweede luidt: er valt niet te zeggen of Volkert weer een moord kan plegen. Voor het inschatten van het risico op recidive is Volkerts gerichtheid op Fortuyn te specifiek geweest.

Doeland kan niet goed begrijpen dat het PBC Van der G. volledig toerekeningsvatbaar heeft verklaard. De teamchef: ,,Hij is door de specialisten van het PBC geestelijk gezond bevonden. Nou, ik denk dat het niet normaal is als je iemand die je eigenlijk niet eens kent, en met wie je ook geen rechtstreeks conflict hebt, zo koelbloedig kan liquideren. En dan ook nog het plan hebben met je leven verder te gaan, of er niets is gebeurd. Ik vind dat griezelig als zo iemand normaal wordt geacht.''

Doeland vindt de gevolgen van de conclusies van het PBC extra angstaanjagend, omdat de rechtbank op die beoordeling heeft voortgeborduurd. In het rapport wordt gezegd dat 'geen uitspraak gedaan kan worden over recidive'. De rechtbank maakt daar in het vonnis van het 'niet aannemelijk te vinden' dat Van der G. nog eens zo'n ver strekkende daad begaat. Vandaar dat het vonnis luidt: achttien jaar cel, opname in een tbs-kliniek is niet nodig. De passage in het vonnis van de rechtbank dat gaat over het recidive-gevaar wordt als zwak beschouwd. Het hof kan daarin een reden zien Volkert nog eens aan de psychologisch onderzoek te laten onderwerpen. Dan is niet ondenkbaar dat tbs alsnog in beeld komt.

De politieman is het ook verre van eens met de uitspraak dat Van der G. louter een politiek motief had om Fortuyn af te stoppen. ,,Volgens mij had hij géén politieke overtuiging. Hij gaf om dieren, dat was het.'' Doeland voegt er wel aan toe dat zijn ervaring met 'overtuigingsdaders' zoals Volkert niet groot is. Zo vaak komt het niet voor dat een dader zijn toekomst vergooit voor een zogenaamd hoger doel.

Als Doeland gelijk heeft, houdt Volkert dan psychologen, psychiaters en rechters voor de gek? Dat is heel goed mogelijk, reageert prof.dr. Peter van Koppen. De rechtspsycholoog: ,,Daders stellen hun motief bij of verzinnen als ze in detentie zitten een ander. Dat is heel gangbaar''. Het heeft naar zijn ervaring geen enkele zin uit te zoeken wat nu de werkelijke reden van het plegen van een levensdelict is. ,,Je komt er toch niet achter als ze dat niet willen zeggen''. Ook het Pieter Baan Centrum niet? Nee, zegt Van Koppen. ,,Toerekeningsvatbaarheid is typisch een uitvinding van juristen. Het begrip suggereert dat een mens volledig uit vrije wil kan handelen. Dat is maar de vraag.''

En hoe kun je er achter komen of een individu uit zichzelf bij vol verstand heeft gehandeld of niet? Van Koppen: ,,De enige bron daarvoor is per definitie onbetrouwbaar, namelijk de verdachte. Die wil of kan niet vertellen wat hem of haar heeft gedreven de daad te plegen''.

Het PBC heeft vastgesteld dat Volkert dwangmatig gedrag vertoont. De deskundigen kunnen evemwel de stoornis niet in verband brengen met de moord. Wat zou in het brein dan wel een rol gespeeld kunnen hebben om de moord te plegen? Tenslotte verklaart Van der G. zelf: ,,Omdat je iemand niet mag, schiet je hem nog niet dood''.

Van Koppen sluit niet uit dat Volkert een wannabe is, een figuur die door een schokkende actie in het middelpunt van de belangstelling wil komen. Later verzint zo iemand een passend motief bij de daad. Van Koppen: ,,Je kunt je afvragen hoe het komt dat Van der G. zijn directe omgeving zo heeft verbijsterd met deze gebeurtenis.'' Volgens hem kan dat totaal onverwachte van zijn daad wijzen op de heimelijke wens een heldendaad te verrichten, waarover je met geen mens praat.

Een ander motief, naast 'Fortuyn werd een steeds groter gevaar voor de zwakkeren', kan afgunst zijn geweest. Officier Plooy sluit dat (mede-)motief niet uit. ,,Aan de ene kant verafschuwde Volkert Fortuyn om zijn opportunisme, ijdelheid, gebrek aan opofferingsgezindheid en macht als doel. Tegelijkertijd had Volkert wel respect voor een eigenschap van Fortuyn die hijzelf juist mist: verbale kracht''. Ook uiterlijk waren de twee -zoals Plooy het noemt- elkaars tegenpool. Fortuyn was lang van gestalte en in ieder gezelschap nadrukkelijk aanwezig; Van der G. is nog geen 1.70 lang en een onopvallende figuur.

In zijn pleidooi voor de rechtbank veegde advocaat Stijn Franken met al die theorieën de vloer aan. Op gezag van van het PBC wierp de raadsman op dat het motief van zijn cliënt anders is dan anders. ,,In het gros van de moordzaken speelt een hoogstpersoonlijk motief. Dan gaat het om hebzucht, machtswellust, haat, jaloezie of wraak. Het motief van Volkert ligt buiten zichzelf. Hij heeft Fortuyn niet vermoord omdat die hem bedreigde, maar om zwakkeren te beschermen tegen de macht die de politicus mogelijk zou krijgen''.

De advocaat noemt het doel van Volkert authentiek. Franken: ,,Het motief van Volkert is niet slechter of weerzinwekkender dan een persoonlijk motief''. Wat risico van herhaling betreft kan Franken kort zijn. Berouw tonen betekent in de ogen van Van der G. dat hij Fortuyn niet had moeten liquideren. Het enige dat hij wil toegeven is: ,,Liever had ik gezien dat iemand anders het had gedaan. Nee, ik zou het niet nog eens doen''.

Zo helder als Volkert zijn motief afschermde voor aanvallen van Doeland, Plooy, de rechter-commissaris en de rechters, zo mysterieus blijft de inhoud van een briefje van Volkerts hand. In het kattebelletje dat hij op 21 juli 2002 aan zijn vriendin Petra vanuit de Bijlmerbajes schreef, staat: ,,(...) mocht ik ooit nog eens een verklaring afgeven aan de rechterlijke macht of in de media, dan hoeft dat natuurlijk niet noodzakelijkerwijs de waarheid te zijn. Voor de buitenwereld is de waarheid niet belangrijk-het hoeft slechts functioneel te zijn.''