Deze column is verschenen in Sum maart 1993

Studenten stellen zich tegenwoordig heel zakelijk op tegenover het onderwijsaanbod van universiteiten en scholen voor hoger beroepsonderwijs. In de tijd dat ik de universiteit bezocht, eind zestiger begin zeventiger jaren, was dat nog heel anders. Wij zaten in de periode van de grote discussies. Debatten die werden gevoerd over niets minder dan de inrichting van de maatschappij en daarmee verbonden het doel en de manier van wetenschappelijk onderzoek en onderwijs. En passent werd er ook nog heftig van mening verschild over de manier waarop de ideale instelling van wetenschappelijk en hoger beroepsonderwijs bestuurd diende te worden.

Er is ondertussen veel bereikt. De maatschappij is een stuk minder autoritair geworden. De vader in de letterlijke en overdrachtelijke zin, een blanke man wel te verstaan, is wat zijn macht betreft letterlijk onttroond. Niemand pikt het meer om met behulp van machtsargumenten de wet voorgeschreven te krijgen. Het 'omdat ik het zeg' volstaat niet meer om iets in gezin, onderwijsinstelling of bedrijf voor elkaar te krijgen. Leidinggevenden moeten vandaag de dag hun best doen om mensen te overtuigen. Doen ze dat niet, dan wordt er ja gezegd en nee gedaan.

De vakinhoud van menige tak van wetenschap is drastische veranderd. Afwijkende opvattingen worden niet alleen geduld, maar zelfs gestimuleerd omdat zij bijdragen tot een verdieping van kennis en inzicht. De instellingen van beroeps- en wetenschappelijk onderwijs zijn ten slotte wat de bestuursvorm betreft radicaal gedemocratiseerd. En toch wringt er iets en bij nader inzien iets buitengewoons essentieels.

Ondanks al die verworvenheden is de betrokkenheid bij wetenschap en onderzoek van studenten er niet op vooruit gegaan. Integendeel! Vaak waan ik mij in een soort zelfbedieningswinkel of fabriek als ik te maken heb met universiteiten en instellingen voor hoger beroepsonderwijs. Dat gevoel wordt verstrekt door de manier waarop deze instellingen worden gemanaged en door de houding van de studenten. De meeste studenten vertonen weinig of geen betrokkenheid met de instelling waar zij studeren. Het is een houding van 'het zal mijn tijd wel duren'. Ik pik eruit wat van mijn gading is en voor de rest zoeken ze het maar uit.

Deze houding betreft niet alleen de instelling van onderwijs, maar ook de vakken die ze bestuderen. Over de inhoud van het vak, de problemen die het vak stelt en vooral ook niet stelt, de wijze van onderzoek, het zijn allemaal invalshoeken waarvoor de huidige student niet of nauwelijks warmloopt. Hij of zij pikt er datgene uit wat van zijn of haar gading is en dat is het dan. Terwijl een kritische houding ten opzichte van het vak, in de zin van de onderwerpen die wel en niet in het vizier komen en de methoden van onderzoek die worden gehanteerd, uiterst vitaal is voor de dynamiek van het vak. Als die dynamiek verdwijnt, dan is het vak op den duur ten dode opgeschreven.

Daarover maak ik mij grote zorgen, want de studenten van nu zijn de wetenschappers, de beroepskrachten, de directeuren en de politici van morgen. Ik kan mij niet voorstellen dat zij die functies goed kunnen uitoefenen vanuit de consumentenhouding die zij thans als studenten aannemen. Dat is èn te passief èn te onbetrokken bij het wel en wee van iets dat je zou kunnen duiden als het geheel. Het zal ons nog opbreken, al die onderwijs- en onderzoeksfabrieken. Zij kweken onbetrokken consumenten, de leiders van morgen. Ons soort samenlevingen zullen in dat geval ten onder gaan aan onbetrokkenheid. Een somber perspectief zo aan het begin van het nieuwe jaar: 1993!

Deze column is verschenen in Sum maart 1993