Deze column is verschenen in Sum april 1993

Er is een cliché dat zegt dat een ongelukkige jeugd een goudmijn is voor een schrijver. Zoals met veel clichés een waarheid als een koe! Maar laten we het eens omdraaien. Is het mogelijk scheppend bezig te zijn vanuit een situatie van volmaakt geluk? Ik denk het niet en vind daar met gemak de voorbeelden bij. Wolkers, een van de hele grote schrijvers uit mijn middelbare schooltijd, schreef de prachtigste boeken toen hij nog leefde als een beest en toen hij de peilloze beklemming voelde van het gereformeerde milieu waarin hij als puber opgroeide. Nadien is Wolkers gelukkig geworden. Hij maakt ons te pas en te onpas deelgenoot van dat geluk. Twee fantastische zonen, een zo mogelijk nog geweldiger vrouw en dat alles gesitueerd in de paradijselijke omgeving van het eiland Texel. Ik vind Jan Wolkers een oninteressant mens geworden, zijn boeken blijven achterwege en de beeldende kunst die hij baart is een gladde Ons-Soort-Mensen-kunst geworden. Een verontwaardigde Wolkers op zijn in puin geslagen Auschwitz-monument. Fel het racistische van deze daad veroordelend, daarin gesteund door de larmoyante burgemeester van Amsterdam Ed van Thijn. Helaas voor Wolkers en al die anderen, werd zijn monument niet vernield door een racist maar door een gemankeerde glaskunstenaar. Of neem Willem Frederik Hermans, een weergaloos schrijver in de jaren vijftig en zestig. Nu een op zijn roem terende mopperkont te Brussel.

Alleen Gerard Reve is nog even depressief en ongelukkig als aan het begin van zijn schrijverscarrière. Hij is moe geworden van zijn eigen ongeluk en delft daarom slechts de schatten op uit de eerste vijfentwintig jaar van zijn schrijversloopbaan. En dat levert nog steeds prachtige kunst op in de vorm van brievenboeken, die alleen een Reve weet te vervaardigen. Harry Mulisch is een hoofdstuk apart. Harry is niet zozeer gelukkig, alswel uiterst gelijkmatig. Ik houd niet van Harry, maar ben wel onder de indruk van zijn prachtige roman Het stenen bruidsbed waarin de sfeer van naoorlogse ontreddering zo krachtig wordt neergezet. Dit vluchtige onderzoekje - verre van representatief, laat staan wetenschappelijk verantwoord - leidt tot de conclusie dat uit geluk en tevredenheid niet veel goeds kan voortkomen. Dat levert een merkwaardige paradox op. Enerzijds doet onze cultuur niets anders dan ons een jong, gelukkig, harmonieus en tevreden leven aanprijzen, anderzijds blijkt de realisatie van dit ideaal weinig anders op te leveren dan saaiheid, inertie, en blijven de mooie kunstwerken of de grote wetenschappelijke produkten achterwege. Geluk en ongeluk zijn echter moeilijk te regisseren. Het overkomt je, in beide gevallen. Zeker, er is sprake van predestinatie als het aankomt op ongelukkig of gelukkig worden. Freud, maar ook heel veel andere wijsgeren, heeft daar een boekenkast over vol geschreven. Al die kennis over de oorzaken van geluk en ongeluk stelt ons evenwel niet in staat om beide een handje te helpen. Het komt en verdwijnt dikwijls zomaar, zonder dat we er iets aan kunnen doen. Het enige dat we wel in eigen hand hebben is het beleven van geluk en ongeluk. We kunnen die gevoelens onder het tapijt werken dan wel ze ten volle beleven. Dat laatste lijkt me een voorwaarde om überhaupt scheppend bezig te kunnen zijn.

Veel van die oninteressante kunst en wetenschap wordt geproduceerd door saaie, tevreden en op het oog gelukkige mensen. Schud je eigen kussens regelmatig op, dan heb je ten minste een kans dat er iets uit je handen komt dat de moeite waard is. Kortom, ik wens je naast een portie geluk een flinke dosis ongeluk toe, opdat die cultuur van ons nog een paar mooie kunstwerken en een aantal goede wetenschappelijke studies zal opleveren!

Deze column is verschenen in Sum april 1993