Deze column is verschenen in Sum oktober 1993

Daar zit ik dan in zijn boxershorts met mijn pik op de plaats waar enkele uren geleden zijn pik nog zat, met het linnen gespannen rond mijn kont dat zo weinig uren geleden zijn kontje nog omspande. Prins Andrew, 21 jaar, Bulgaarse moeder, Engelse vader, maar eigenlijk geen vader. Prins Andrew heeft zich gisterenmiddag op het strand een nieuwe vader verworven.

Praten, praten, redeneren, en de gevoelens heel, heel diep weggeborgen. Gesluierde ogen waar slechts af en toe het licht van de viriliteit door heen breekt. Gegeten, gedronken, daarna naar bed, mijn bed. Van een grote onbeholpenheid en soms ook weer zo perfect. Zijn hoofd in de kom van mijn nek en rechterarm, liggend op mij, zijn rechterbeen gedrappeerd tussen mijn benen, licht gekromd, onderwijl zachtjes neukbewegingen makend, terwijl ik met mijn handen zijn stevige volmaakte billen kneed. Onze lichamen passen op dat moment op een manier in elkaar alsof God ze daartoe heeft geschapen. Op dat ogenblik bid ik op een kinderachtige manier tot de Maagd Maria: Heilige Moeder Maria, geef dat ik dit lichaam voor altijd bij me mag houden. Ik bad op een dwingende bezitterige manier.

Vrijwel direct daarna staat Andrew op en gaat naakt in de vensterbank staan. Op die manier heb ik een prachtig zicht op zijn lijf. Hij denkt en zucht, zucht veel, ik kijk en sluimer en zo duurt dit alles zeker een vol uur. Daarna kleedt hij zich aan. Hij staat besluiteloos met zijn boxershort in zijn hand. Ik maak een misplaatst grapje door laatdunkend te zeggen, dat dit zeker een souvenir is. Met een woedend gebaar werpt hij zijn boxershort uit het raam. Zegt dat dit soort situaties niets voor hem is. Dat ie denkt dat ie hetero is. Dan pakt hij me vast en zoent me zeer heftig op mijn mond en werkt op een bijna gewelddadige wijze zijn tong mijn mond binnen. Daarna een rustige omhelzing en nog een. We lopen samen naar beneden. Ik kus hem gedag. Hij loopt weg en zaI morgenvroeg onmiddellijk vertrekken.

Op mijn kamer teruggekeerd tref ik zijn horloge op de grond aan, naast mijn bed, ons bed. Ik val in slaap en als ik de volgende ochtend de stad in ga, vind ik buiten hangend aan de muur tegenover ons hotel zijn onderbroek. Ik pak hem van de muur, loop een stukje, trek mijn short uit en trek zijn onderbroek, zijn boxershort, aan. Een vreemde geweldadige sensatie doorstroomt mij. Het is alsof ik in zijn huid kruip. Zo is hij vandaag toch nog bij mij, terwijl de boot naar de Peloponnesos zijn lichaam steeds verder van mij voert. Maar hij komt terug, Prins Andrew, letterlijk of figuurlijk. Dat voel ik. En dan zal ik, gelijk in de parabel van de verloren zoon, staan bij de voordeur om hem te verwelkomen alsof ik daar al die tijd op zijn terugkeer heb staan wachten. Ik zal niets vragen, geen verklaring, geen uitleg, ik zal hem slechts omhelzen en zeggen: welkom thuis my little Prince, my Son.

Deze column is verschenen in Sum oktober 1993

Dit fragment komt uit 'Prins Willem en de anderen' en is verschenen bij uitgeverij Contact.