Deze column is verschenen in Sum november 1993

De resultaten van het onderzoek Jeugd 1993 zijn net van de persen gerold en dat is dus smullen geblazen. Er zijn tal van instanties en bedrijven die zeer geïnteresseerd zijn in de ontwikkeling van de jeugd. Ze zijn immers de beleidsbepalers en trendsetters van morgen. Er wordt in jeugd '93 een uitermate sympathiek beeld geschetst van de aanstormende generatie. De huidige student is volgens soortgelijk onderzoek erg gesteld op comfort en materiële zaken. Het maken van carrière staat bij jullie in hoog aanzien en jullie houden daar bij het maken van jullie studiekeuze al terdege rekening mee. Zo zeer zelfs dat jullie ongeveer allemaal hetzelfde doen. Veel, erg veel studenten kiezen voor economie, rechten en bedrijfskunde. De wetten van de markt zullen tegen de tijd dat jullie zijn afgestudeerd meedogenloos toeslaan. Nu al weten marktonderzoekers te melden dat er juist in die vakken een enorm overschot op de arbeidsmarkt zal ontstaan. Het wordt straks dringen geblazen en dat zal zeker ook aan de aanvangssalarissen te merken zijn. Maak jullie borst maar nat. Het wordt straks knokken om een baantje en het salaris zal, zeker in het begin, dik tegen vallen.

Maar dan degenen die na jullie komen. Die blijken een stuk weerbaarder te zijn. Ze zijn minder in materiële zaken geïnteresseerd en het is hen meer te doen om individuele ontplooiing dan om carrière. Dat maakt de zaak direct eenvoudiger. Voor het maken van carrière ben je sterk afhankelijk van je omgeving. Zelfontplooiing heb je echter meer in je eigen hand. Daarnaast zijn ze betrokken bij maatschappelijke zaken en scoort ook de zorg voor het milieu hoog. Het moet echter wel overzichtelijk blijven. Grote anonieme verbanden zijn niet in trek en men moet zelf een actieve rol kunnen spelen. Samenvattend: jullie concurrenten zijn zakelijk, maatschappelijk betrokken, praktisch en minder materialistisch. Als je dit beeld afzet tegen hetgeen je om je heen ziet dan denk je, dit is een generatie van aanstormende heiligen. Ze willen het goede, maar met mate. Mijn generatie, de babyboomers (1948), wilde ook het goede maar dan zonder maat te houden. Het motto van mijn generatie zou met gemak kunnen zijn: alles of niets!

Alles of niets en wat is daar nu van terecht gekomen? Ik behoor tot de weinigen die het motto trouw is gebleven en of dat verstandig is moet nog blijken. De meesten van mijn generatie zitten nu op pluche banken en delen de lakens uit. Ze zitten jullie danig in de weg op de universiteiten en de arbeidsmarkt. Het zijne echte gevestigden geworden, 'houden wat je hebt' ligt hen voor in de mond bestorven. Weliswaar zijn de praatjes dikwijls anders, maar het handelen laat niets aan duidelijkheid te wensen over. Als er ingeschikt of ingeleverd moet worden, dan zijn het altijd de anderen die dat moeten doen.

Zo'n ervaring stemt tot nadenken en op zijn minst tot het relativeren van het soort onderzoek als jeugd 1993. Dat relativeren heeft niet zozeer op de onderzoeksresultaten betrekking alswel op de gevolgtrekkingen. De meeste mensen zijn na hun jonge jaren gesteld op comfort, veiligheid en zekerheid. Weinig opwindend maar kennelijk zeer nastervenswaardig. Wil je van je leven iets maken, dan zul je het zelf moeten doen. Dat gold voor mijn generatie en geldt voor die van jullie. De jeugd 1993 weet dat echter nu al, 16-17 jaar oud, en dat is mooi meegenomen!

Deze column is verschenen in Sum november 1993