Deze column is verschenen in Sum december 1992

Nederland is een overgeorganiseerd en overgeïnstitutionaliseerd land. Voor ieder belang en belangetje richten we een belangenbehartigingsclubje op. Dat clubje zorgt er binnen de kortste keren voor dat het een subsidie krijgt. Door het verwerven van subsidie is het clubje niet langer meer afhankelijk van de klanten wier belangen zij behartigt. Pas dan kan het echte grote werk beginnen. Dan kun je professionaliseren, d.w.z. allerhande deskundigen aantrekken die de belangen van je leden gaan behartigen op een manier waar de leden bij de oprichting van het clubje in de verste verte niet van konden dromen. Het mooiste wordt het indien het clubje naast subsidie ook nog een officiële erkenning van de overheid krijgt en door de overheid wordt belast met taken die door de wetgever worden afgedekt. Het private clubje mag dan, afgedekt door de wet, ook niet-leden te dwingen zich te houden aan de regels die het clubje opstelt. Overigens regels die helemaal niet democratisch tot stand zijn gekomen, omdat het clubje door de subsidie of bij de wet geregelde verplichte contributie helemaal niet meer afhankelijk is van de leden.

Voorbeelden van dit soort clubjes zijn de Kamers van Koophandel of de CAO.

Ondernemers zijn verplicht om een deel van hun winst af te dragen aan de Kamers van Koophandel. In ruil daarvoor worden hen diensten aangeboden, waarom ze nimmer hebben gevraagd en waarop ze ook geen enkele invloed hebben. Van directe zeggenschap is in het geheel geen sprake. Het bestuur van de Kamer van Koophandel wordt immers weer samengesteld en benoemd door andere, door de wetgever erkende clubjes, zoals de erkende verenigingen van werkgevers en werknemers. Indien je géén lid bent van zo'n clubje moet je wèl contributie betalen, maar heb je geen enkele zeggenschap, zelfs niet om je stem uit te brengen. Het tweede voorbeeld, de CAO, is een kwestie van contract tussen twee partijen. Meestal een contract tussen de werkgeversorganisatie en een of meer erkende vakbonden. Het resultaat van hun onderhandelingen wordt meestal door de minister van Sociale Zaken algemeen verbindend verklaard. Dat wil zeggen dat de door de erkende organisaties afgesloten cao dwingend wordt opgelegd aan alle bedrijven en werknemers in de desbetreffende branche. Dus ook aan al die bedrijven en werknemers die op geen enkele manier betrokken zijn geweest bij de onderhandelingen over de cao. Dit zijn twee voorbeelden uit zeer, zeer velen. Het hele land is vergeven van dit soort clubjes dat van alles en nog wat regelt onder het motto: voor u, zonder u en van uw geld!

De LSVb, de vertegenwoordiging van studenten van het WO en het Hoger onderwijs, is ook zo'n clubje dat werkt volgens hetzelfde motto. De Landelijke Studenten Vakbond, de naam alleen al, vertegenwoordigt alle studenten tegenover de media en uiteraard tegenover de minister van Onderwijs en Wetenschappen, ons aller Ritzen. Op plaatselijk niveau doen ze hun best studenten te vertegenwoordigen tegenover de Colleges van Bestuur en de bestuurderen van scholen en faculteiten. Dit is natuurlijk allemaal prachtig maar met vertegenwoordiging, laat staan democratische vertegenwoordiging, heeft het allemaal niets te maken. De LSVb vertegenwoordigt een heel klein groepje studenten. De grote massa van de studenten heeft geen interesse voor de LSVb. Deze studentenbond hoeft daar ook helemaal niet zijn best voor te doen. Want deze fopspeen der belangenbehartiging wordt door de bestuurderen weer ruimhartig direct en indirect gesubsidieerd, bij voorbeeld in de vorm van logistieke ondersteuning. Voor hen is dat ook wel gemakkelijk. Voor een paar grijpstuivers hebben ze immers een gesprekspartner die de pretentie heeft studenten te vertegenwoordigen en dat is een tijd van formele democratie mooi meegenomen. Voor het oog van de wereld klopt het en kun je je bestuurlijke gang gaan.

De LSVb leent zich hiervoor ten volle. Het meest ridicuul gebeurt dat in het overleg met de minister van Onderwijs en Wetenschappen. Een handjevol studenten bespreekt daar met de minister de belangen van het student. Het wordt tijd dat de LSVb ervoor zorgt dat het echt een representatieve organisatie wordt. Dat betekent massaal leden werven. Dat betekent van de contributie van de leden een bescheiden belangenbehartigingsapparaat opbouwen. Dat betekent afschaffing van alle directe en indirecte subsidies aan de LSVb, opdat het een krachtige van de leden afhankelijke organisatie wordt. Pas dan gaat een minister van Onderwijs en Wetenschappen terdege rekening houden met de LSVb. Tot het zover is doet Ritzen er verstandig aan met de LSVb-vertegenwoordigers slechts een kopje thee te drinken. Dat zou de duidelijkheid over de positie van de LSVb zeer ten goede komen.

Deze column is verschenen in Sum december 1992